Prachtwijken, maar voor wie?

Uit de ervaring van de stadsvernieuwing blijkt dat het moeilijk is om de sociale problemen van een wijk op te lossen, als de bewoners blijven zitten, betoogt Wim Ostendorf c.s.

Minister Vogelaar wil probleemwijken veranderen in prachtwijken. Hoe zij dit gaat doen is niet duidelijk. Maar als het lukt, zou het een prestatie van formaat zijn. Want waar is dit eerder vertoond? Wat leert de geschiedenis van de stadsvernieuwing ons?

Met stadsvernieuwing hebben we al tientallen jaren ervaring. Na de Tweede Wereldoorlog stond stadsvernieuwing in het kader van verbetering van het woningbestand. Het ging om krotopruiming en sanering, veelal in de binnenstad. Als woningen niet voldeden aan de eisen van veiligheid en hygiëne, werden ze ‘onbewoonbaar’ verklaard. Aan de bewoners werd elders een andere woning toegewezen. Er werden vervolgens nieuwe woningen gebouwd, voor andere bewoners. Van goede kwaliteit, maar veelal eenvoudig en niet te duur. Van ‘prachtwijken’ was hier geen sprake.

Een andere vorm van stadsvernieuwing ontstond rond 1980 met het zogeheten ‘bouwen voor de buurt’. Dit beleid richtte zich er op de bewoners in de buurt te houden, maar het woningbestand wel te verbeteren. Om de huren betaalbaar te houden werden er veel kleine sociale huurwoningen gebouwd. Omdat dit beleid de bewoners in de buurt hield, veranderde de buurt ook niet in sociaal opzicht: de bewoners bleven wie ze waren, alleen gehuisvest in betere of nieuwe woningen. De bevolkingssamenstelling werd als het ware bevroren, met als resultaat bewoners met lage inkomens in nieuwe woningen. Dit heeft tot teleurstelling geleid, vooral bij degenen die van stadsvernieuwing meer hadden verwacht dan louter een vernieuwd woningbestand. Zij hadden upgrading willen zien, een stijging in sociaaleconomisch opzicht, waardoor de buurt na de stadsvernieuwing een betere positie binnen de stad inneemt. Met bouwen voor de buurt ontstonden geen prachtwijken.

Dat zagen we wel bij de zogeheten gentrification, die zich vanaf 1980 van de vorige eeuw begint te manifesteren. Gentrification gebeurt in principe niet door overheidsingrijpen, maar via de markt en door de bewoners zelf. In centraal gelegen stadsbuurten met oude woningen, die er qua architectuur aantrekkelijk uitzien en waar de koopprijzen laag liggen, zien bewoners met een interesse in stedelijk leven en veelal zonder kinderen (yuppen) een nieuwe kans. De vernieuwing gebeurt vaak op grote schaal en zo verandert de buurt volledig: het woningbestand wordt verbeterd, er vestigt zich een geheel ander slag bewoners en in dit voetspoor vestigen zich nieuwe winkels en voorzieningen. Voorbeelden zijn de Stokstraat in Maastricht en de Jordaan in Amsterdam. Dit zou je inderdaad prachtwijken kunnen noemen, maar wel voor een totaal nieuw slag bewoners.

Rond 1990 was het woningbestand op orde. Er waren bijna geen bouwtechnisch slechte woningen meer; men sprak wel van het einde van de stadsvernieuwing. Toch zag de overheid nog problemen. Namelijk in probleemwijken. Het ging nu niet zozeer om problemen met de woningen, maar om sociale problemen: achterstand, overlast, criminaliteit, het samenleven van verschillende culturen en integratie. Deze probleemwijken zijn nog niet zo oud, soms zijn ze zelfs van na de Tweede Wereldoorlog; en ze liggen ook niet tegen de binnenstad, maar aan de stadsrand. De corporaties hebben er veel bezit.

Via het zogenoemde Grote Steden Beleid (GSB) werd geprobeerd de problemen aan te pakken. Daarbij speelde het doorbreken van een eenzijdige woningvoorraad via sloop en nieuwbouw, een grote rol. Ook al waren de problemen sociaal van aard, de oplossing werd in de aanpak van de woningvoorraad gezocht. Dit was geen directe aanpak en dat wrong. Prachtwijken voor de bewoners met sociale problemen zijn er dan ook niet uit tevoorschijn gekomen. Het resultaat van het GSB lijkt op dat van het bouwen voor de buurt: er is geen upgrading.

En nu gaat minister Vogelaar probleemwijken dus in prachtwijken veranderen. We moeten aannemen voor de huidige bewoners. Dus kan de minister niet terugvallen op gentrification. Alle bovengenoemde varianten van ingrijpen in de woningvoorraad falen echter in de oplossing van de sociale problemen. Ook Gabriël van den Brink wees op het tekortschieten van een woninggerichte aanpak (‘Prachtwijk krijg je niet alleen met renovatie’, Opiniepagina, 3 oktober).

Het is daarom hoognodig dat minister Vogelaar uitlegt hoe zij deze sociale problemen wél gaat oplossen. Alles wijst erop dat zij zich weer op de woningen gaat richten. Voor de selectie van haar 40 wijken kijkt de minister immers naar de woningvoorraad: heeft de wijk veel sociale huurwoningen en veel kleine woningen van vóór 1970. Gegeven haar wijkgerichte aanpak moet het bovendien gaan om problemen die hun oorsprong in de wijk vinden. Dit geldt niet voor problemen van achterstand; deze hebben te maken met de verzorgingsstaat en de economie en niet met de leefomgeving.

Problemen van overlast en leefbaarheid vinden hun oorsprong echter veelal wél in de wijk. Het lijkt ons daarom raadzaam dat de minister zich op deze leefbaarheidproblemen gaat richten. En dan uiteraard in alle wijken, waar de leefbaarheid tekortschiet.

Wim Ostendorf schreef dit artikel samen met Sako Musterd en Wouter van Gent. Ze zijn verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Ostendorf debatteert vrijdag in Maastricht met Marcel van Dam over probleemwijken in de serie ‘Geschiedenis Live’, met historische filmbeelden.

Theater La Bonbonnière, 17.00. Aanmelden via www.geschiedenislive.nl.