NIOD betwijfelt hoger sterftecijfer in 40-45

Er zijn meer Nederlanders gestorven in de oorlog dan we dachten, zeggen demografen. Bij het NIOD weten ze dat zo net nog niet. „Ik kan er geen chocola van maken.”

David Barnouw, medewerker van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), betwijfelt of het Nederlandse sterftecijfer in de Tweede Wereldoorlog naar boven moet worden bijgesteld, zoals de demografen Jan Jaap Harts en Annelet Broekhuis beweren. De onderzoekers, verbonden aan de Universiteit van Utrecht, schrijven in Demos, het bulletin van het Interdisciplinair Demografisch Instituut, dat tussen 1940 en 1945 280.000 Nederlanders omkwamen in plaats van 210.000.

Volgens Harts en Broekhuis nam het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) veel van de ongeveer 110.000 joden die in de oorlog zijn gedeporteerd, na 1945 in de boeken op als ‘emigranten’ en niet als ‘sterfgevallen’. Barnouw heeft kennis genomen van het artikel, maar hij kan niet bevestigen dat de inhoud ervan klopt. „Ik kan er eerlijk gezegd geen chocola van maken.”

Vrij snel na de oorlog had Nederland de beschikking over de namenlijsten van mensen die op de trein naar het oosten waren gezet, legt hij uit. „Van die gedeporteerden weten we dat ze zijn omgekomen in de kampen. Het Rode Kruis kwam in veel gevallen in 1948 of 1949 met een bevestiging van overlijden. Die gegevens zijn dus al decennia bekend. Als historicus begrijp ik dit artikel dus niet, maar wellicht is het statistisch gezien allemaal heel logisch. Ik laat het me binnenkort graag een keer uitleggen.”

De conclusie van Harts en Broekhuis dat niet 1945 maar 1943 het dodelijkste jaar van de oorlog was, onderschrijft Barnouw voorlopig niet. „Het laatste oorlogsjaar, met de hongerwinter, kende het hoogste sterftecijfer.”

Overigens vindt Barnouw dat er niet te veel gesteggeld moet worden over dit soort getallen. „Natuurlijk is het goed om wetenschappelijk onderzoek te doen, maar voor dat je het weet geef je neonazi’s en holocaustontkenners munitie in handen. ‘Zie je wel’, zullen zij dan zeggen, ‘zelfs de wetenschappers zijn het niet eens over de cijfers’.”

Maar volgens Jan Latten, hoogleraar demografie en verbonden aan het Centraal Bureau voor de Statistiek(CBS), hoeft de discussie niet lang te duren. Hij onderschrijft de uitkomsten van het onderzoek van Harts en Broekhuis. Een gedeelte van de 110.000 verdwenen joden heeft inderdaad nooit zijn weg gevonden in het sterftecijfer van 210.000, zegt hij.

Latten: „Het CBS heeft in 1947, toen de sterftecijfers van de oorlog werden vastgesteld, zijn taak heel nauw opgevat. Geteld werden de Nederlanders die overleden waren. Van de mensen die Nederland verlieten, of dat nu gedwongen was of niet, werd slechts genoteerd dat ze geëmigreerd waren. Dat doen we nog steeds zo. Van een asielzoeker met een tijdelijke verblijfsvergunning die wordt uitgewezen naar Irak, om een voorbeeld te geven, wordt ook alleen het vertrek genoteerd, niet wat er daarna met hem gebeurt. Dat is statistisch gezien juist, maar het is niet het hele verhaal.”

Broekhuis en Harts kwamen erachter dat het CBS in 1947 moeite had de demografische boekhouding van de Tweede Wereldoorlog rond te krijgen. De statistici schreven in dat jaar: „Na 11 december 1942 werden de Joden, die naar Westerbork overgebracht werden, grootendeels beschouwd op doorreis naar Duitschland te zijn en afgevoerd van het bevolkingregister van hun gemeente van inwoning als vertrokken naar het buitenland, of onbekend waarheen.”

Lees het artikel in Demos op www.nidi.knaw.nl/nl/demos