Niet vertrokken maar vermoord

Er zijn meer Nederlanders gestorven in de oorlog dan we dachten, zeggen demografen.

Bij het NIOD weten ze dat zo net nog niet.

Het Nederlandse sterftecijfer tijdens de Tweede Wereldoorlog moet naar boven worden bijgesteld, van 210.000 naar 280.000. Veel van de ongeveer 110.000 joden die tijdens de oorlog zijn gedeporteerd, werden na 1945 door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) als ‘emigranten’ in de boeken opgenomen en niet als ‘sterfgevallen’.

Ook een gedeelte van 39.000 andere Nederlanders – krijgsgevangenen en tewerkgestelden – is onterecht als landverhuizer in de tabellen verwerkt.

Dat beweren demografen Jan Jaap Harts en Annelet Broekhuis, verbonden aan de Universiteit van Utrecht, in het laatste nummer van Demos, het bulletin van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut. Ze kwamen tot hun ontdekking toen ze voor de nieuwe Grote Bosatlas, die deze week verschijnt, de demografische tabellen aan het opstellen waren.

Broekhuis: „Het viel ons op dat er tussen 1942 en 1944 een enorm vertrekoverschot was. We vroegen ons af wie die mensen waren die tijdens de oorlog zo massaal waren geëmigreerd. Toen zijn we de archieven ingedoken.”

Broekhuis en Harts kwamen erachter dat het CBS in 1947 moeite had de demografische boekhouding van de Tweede Wereldoorlog rond te krijgen. De statistici schreven in dat jaar: „Na 11 december 1942 werden de Joden, die naar Westerbork overgebracht werden, grootendeels beschouwd op doorreis naar Duitschland te zijn en afgevoerd van het bevolkingregister van hun gemeente van inwoning als vertrokken naar het buitenland, of onbekend waarheen.”

En zo verdwenen de joden per veewagon als ‘emigranten’ uit Nederland. Broekhuis vindt niet dat het CBS indertijd laakbaar heeft gehandeld. „Voor ons lijkt het raar om afgevoerde joden als migranten in de statistiek op te voeren, omdat de Holocaust nu zo centraal staat in de beleving van de oorlog. Bij gebrek aan officiële overlijdensberichten kon men in 1947 echter weinig anders.”

Broekhuis en Harts komen tot de slotsom dat het beeld dat in het laatste oorlogsjaar (met de Hongerwinter) de meeste slachtoffers zijn gevallen, moet worden bijgesteld. 1943 blijkt het jaar met de grootste sterfte door de oorlogsomstandigheden. Dat veel van die sterfte buiten Nederland plaatsvond, is volgens de demografen niet relevant.

David Barnouw, onderzoeker bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), heeft kennis genomen van het artikel in Demos. „Ik kan er eerlijk gezegd geen chocola van maken”, zegt hij. „Vrij snel na de oorlog hadden we de beschikking over de namenlijsten van mensen die op de trein naar het oosten waren gezet. Van die gedeporteerden weten we dat ze zijn omgekomen in de kampen. Het Rode Kruis kwam in veel gevallen in 1948 of 1949 met een bevestiging van overlijden. Die gegevens zijn dus al decennia bekend. Als historicus begrijp ik dit artikel dus niet, maar wellicht is het statistisch gezien allemaal heel logisch. Ik laat het me binnenkort graag een keer uitleggen.”

Overigens vindt Barnouw dat er niet te veel gesteggeld moet worden over dit soort cijfers. „Natuurlijk is het goed om wetenschappelijk onderzoek te doen, maar voor dat je het weet geef je neonazi’s en holocaustontkenners munitie in handen. ‘Zie je wel’, zullen zij dan zeggen, ‘zelfs de wetenschappers zijn het niet eens over de sterftecijfers’.”

Volgens Jan Latten, hoogleraar demografie en verbonden aan het CBS, hoeft de discussie echter niet lang te duren. Hij onderschrijft de uitkomsten van het onderzoek van Harts en Broekhuis. Een gedeelte van de 110.00 verdwenen joden heeft inderdaad nooit zijn weg gevonden in de het sterftecijfer van 210.000, zegt hij. „Het CBS heeft in 1947, toen de sterftecijfers van de oorlog werden vastgesteld, zijn taak heel nauw opgevat. Geteld werden de Nederlanders die overleden waren. Van de mensen die Nederland verlieten, of dat nu gedwongen was of niet, werd slechts genoteerd dat ze geëmigreerd waren. Dat doen we nog steeds zo. Van een asielzoeker met een tijdelijke verblijfsvergunning die wordt uitgewezen naar Irak, om een voorbeeld te geven, wordt ook alleen het vertrek genoteerd, niet wat er daarna met hem gebeurt. Dat is statistisch gezien juist, maar het is niet het hele verhaal.”

Lees het artikel in Demos op www.nidi.knaw.nl/nl/demos