Niet tegen Amerika, maar met Amerika

Frankrijk dient zich volgens president Sarkozy te gedragen als een vriend en bondgenoot van de Verenigde Staten. Dat biedt weidse perspectieven, vindt Philip Stephens.

De relatie die voor het trans-Atlantisch bondgenootschap het meest van belang is, is niet het veel bezongen partnerschap tussen de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Veel belangrijker is de relatie Washington-Parijs. De staat van de Frans-Amerikaanse betrekkingen – altijd rijk aan achterdocht, grillen en wederzijdse minachting – bepaalt de cohesie, of het gebrek daaraan, van het Westen.

Neem de vijandelijkheden van de laatste jaren. De casus belli was Irak, maar de gevolgen van de breuk tussen George W. Bush en de nu vertrokken, in ’t geheel niet betreurde Jacques Chirac waren voelbaar tot ver buiten het Midden-Oosten. De Atlantische gemeenschap was verscheurd, Europa verdeeld.

Die episode heeft ons er nog eens aan herinnerd dat wanneer de trans-Atlantische alliantie niet functioneert, Europa evenmin kan functioneren – althans niet op het gebied van het buitenlandse en het veiligheidsbeleid. Hier zijn de betrekkingen tussen Frankrijk en Groot-Brittannië de beslissende factor.

Als Parijs en Washington het met elkaar aan de stok hebben, kiest Groot-Brittannië waarschijnlijk voor de VS. Dan wordt de Brits-Franse entente onvermijdelijk minder dan cordiale. En wanneer de voornaamste militaire mogendheden van dit werelddeel het niet eens zijn, kan Europa alle hoop op een coherent buitenlands en veiligheidsbeleid laten varen.

Zolang Bush ‘vrijheidsfrietjes’ at (in plaats van ‘Franse frietjes’ – red.) en Chirac flirtte met de Russische president Vladimir Poetin, kon er niets terechtkomen van de Amerikaanse inspanningen om de NAVO gereed te maken voor de eenentwintigste eeuw. Hetzelfde gold voor de Franse dromen over een Europees militair potentieel. Het resultaat? Een half-hervormd Atlantisch bondgenootschap, dat vruchteloos wedijvert met een halfbakken Europese defensie-identiteit.

Een beschrijving van deze patstelling is meteen een knipoog naar de gouden kans die het presidentschap van Nicolas Sarkozy ons biedt: een NAVO die behoorlijk is afgestemd op, en ingericht voor, de nieuwe gevaren – wereldwijd terrorisme, failed states (‘mislukte landen’) en proliferatie van niet-conventionele wapens –, en een Europa dat een groter deel van de last van de eigen veiligheid kan dragen.

Sarkozy noemt zich een atlanticus. Nadrukkelijk heeft hij zijn eerste zomervakantie doorgebracht aan de oostkust van de VS. Hij heeft zich gedistantieerd van het eerbetoon van zijn voorganger aan Rusland, en heeft het Franse standpunt tegen het Iraanse nucleaire programma verscherpt. Frankrijk dient zich, aldus Sarkozy, te gedragen als een vriend en bondgenoot van de VS.

Bernard Kouchner, de Franse minister van Buitenlandse Zaken, is nog verder gegaan: hij heeft een bezoek gebracht aan Bagdad een gebaar dat bedoeld was als balsem op door de Amerikaanse invasie geslagen wonden. De belangen van Frankrijk, zo zei Kouchner met prijzenswaardige openhartigheid, zijn niet gediend met „permanent antiamerikanisme’’.

Zo heeft Sarkozy het debat over de relatie tussen de NAVO en de Europese defensie een nieuwe wending gegeven. Onder het ancien régime was een Europees militair potentieel voor Frankrijk een tegenwicht tegen de in zijn ogen Amerikaanse hegemonie in de NAVO. Nu stelt de president van de republiek dat het hem er meer om gaat de Atlantische alliantie aan te vullen dan haar concurrentie aan te doen.

Minister van Defensie Hervé Morin voegt hieraan toe „helderheid’’ te willen scheppen omtrent de positie van Frankrijk in de NAVO. De Parijse regering onderzoekt opnieuw de mogelijkheid om Frankrijk weer een plaats te geven in de geïntegreerde bevelsstructuur van de NAVO.

Dat zou zowel een symbolische politieke daad als een substantieel besluit zijn. Het feit dat Frankrijk meer dan veertig jaar geleden uit de militaire leiding is teruggetreden, heeft het land er niet van weerhouden deel te nemen aan een aantal belangrijke missies van het bondgenootschap. Nog onlangs heeft Parijs het bevel over de door de NAVO geleide vredesmacht in Kosovo op zich genomen.

Maar symboliek telt, en geen krachtiger symbolisch gebaar dan dat Sarkozy de Gaulles besluit uit 1966 om het militaire hoofdkwartier van de NAVO te verlaten, zou terugdraaien. De boodschap, aldus een Europese diplomaat, zou zijn dat Frankrijk ten slotte vrede heeft met het blijvende karakter van het bondgenootschap.

Hier tekenen zich de contouren af van een groots akkoord, van een verdeling van verantwoordelijkheden die de veiligheid van het Westen eerder vergroot dan ondergraaft. Frankrijk verzoent zich met een versterkte mondiale rol voor de NAVO, en neemt in het voorbijgaan belangrijke militaire commando’s op zich. De VS staken hun verzet tegen een uitbreiding van het Europese militaire potentieel.

Wat kan deze ontwikkeling nog dwarsbomen? Er zijn drie mogelijke hinderpalen – één aan elke zijde van deze benarde driehoek. Meest in het oog springend is dat wij nog niet weten of Sarkozy’s energieke revisionisme misschien meer een kwestie van woorden is dan van daden. Het gratuite antiamerikanisme van zijn voorganger mijden is één ding; de geliefkoosde pretentie laten varen dat Frankrijk militair volslagen autonoom zou zijn, een tweede. Het is nu haast niet meer te geloven, maar Chirac heeft aan het begin van zijn presidentschap toenadering tot de VS en de NAVO in het vooruitzicht gesteld.

Dan de regering-Bush. Al heeft zij nog zo positief gereageerd op Sarkozy’s avances, er zal toch meer nodig zijn dan hartelijke woorden om Washington ervan te overtuigen dat een aanwijsbaar Europese veiligheidsstrategie geen bedreiging zou vormen voor het gezag van de VS binnen de NAVO. Medewerkers van de regering-Bush hebben Europa sinds lang verweten dat het te weinig tot zijn defensie bijdraagt, en in één adem gewaarschuwd dat ieder militair potentieel los van de NAVO verdeeldheid zou brengen.

Ten slotte Groot-Brittannië. Zeer onlangs heb ik Britse ministers de nieuwe Franse opstelling „interessant” horen noemen. En zo hoort het ook. Tenslotte heeft de Brits-Franse overeenkomst van Saint-Malo uit 1998 de grondslag gelegd voor een Europese defensiemacht.

David Miliband, de minister van Buitenlandse Zaken, is Europeaan in hart en nieren. Hij beschouwt een samenhangende benadering van het buitenlandse beleid en defensie als een belangrijk middel om de blik van Europa te verleggen van zijn institutionele navel naar de gevaren uit de buitenwereld.

Maar Gordon Brown is nu al drie maanden premier, en hij heeft nog geen belangstelling voor Europese aangelegenheden laten blijken. Terwijl Sarkozy’s koortsachtige activiteit in Brussel een politieke weersomslag heeft veroorzaakt, zeggen de partners van Groot-Brittannië dat zij van Brown nog nauwelijks iets hebben gehoord.

De Britse premier wordt in beslag genomen door de binnenlandse politiek, vooral de timing van de Britse algemene verkiezingen. Hij heeft geen instinctieve voeling met Europa, en hij vreest dat de controverse over het verdrag voor de herziening van de Europese Unie de kansen van zijn regering in de verkiezingen schaadt. Toch al geen enthousiaste Europeaan, staat hij wantrouwig tegenover stoutmoedige nieuwe projecten.

Pogingen om tot een nieuw akkoord te komen kunnen door een of meer van deze factoren worden gedwarsboomd. Vergeleken met wat er te winnen valt, stellen ze echter niets voor. Iedere verstandige strategie ten behoeve van de veiligheid van het Westen moet uitgaan van een duurzaam trans-Atlantisch bondgenootschap. Om haar relevantie te behouden moet de NAVO een mondiaal perspectief hanteren. Europa zal meer moeten bijdragen tot de veiligheid van zijn naaste omgeving en het aangrenzende buitenland. Zulke evidente waarheden moeten ook voor politici niet moeilijk te bevatten zijn.

Philip Stephens is columnist van de Financial Times. © Financial Times