Hulp EU na oorlog ‘te laat en te weinig’

Nederland en de Europese Unie kunnen de kans op blijvende vrede in door oorlog verscheurde landen vergroten door een bijdrage te leveren in de opbouw van de rechtsorde en de hervorming van politie en justitie.

De EU kan bovendien een leidende rol in opbouwhulp voor politie en justitie op zich nemen, mits het haar besluitvorming op orde krijgt.

Dat stelt oud-minister van Defensie Joris Voorhoeve in een studie voor de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid die hij gisteren aanbood aan de ministers Bert Koenders (Ontwikkelingssamenwerking, PvdA) en Ernst Hirsch Ballin (Justitie, CDA).

Minister Koenders zei bij de presentatie dat de mogelijkheden om politie en justitie in Afghanistan te hervormen een belangrijke plaats moeten innemen bij de beslissing van de Nederlandse regering om de militaire aanwezigheid in het land te verlengen. Het besluit hierover valt naar alle waarschijnlijkheid eind deze maand.

De EU is de grootste geldschieter voor ontwikkelingssamenwerking, vredesopbouw en herstel van de rechtsorde. De Unie maakt die roeping niet waar, stelt Voorhoeve. Wil Europa ook de meest doeltreffende actor worden, dan is volgens Voorhoeve betere besluitvorming en een efficiëntere manier van werken nodig. De EU en Nederland kunnen zich het beste specialiseren in herstel van de rechtsorde in het kader van vredesoperaties. Nederland zou zich daarbij kunnen concentreren op het ondersteunen van de instituties van de rechtsstaat, met name politie en justitie. Een kenmerkend aspect van Nederland en Den Haag als Legal Capital is immers de rechtstatelijkheid, meent Voorhoeve. Hij stelt voor in Den Haag een zogeheten centrum voor vredesopbouw op te richten.

Ook een verschuiving van het accent in ontwikkelingssamenwerking is nodig, aldus Voorhoeve. De nadruk bij vredesoperaties ligt volgens Voorhoeve op militaire en economische maatregelen in plaats van snelle opbouw van politie en justitie. Democratische verkiezingen hebben pas blijvende betekenis nadat het land gestabiliseerd is en strijdende groepen zijn ontwapend, gedemobiliseerd en geïntegreerd in de maatschappij, meent Voorhoeve.

Hij typeert de inspanningen om landen na een oorlog te helpen bij het herstel als „te weinig, te laat, te kort, te versnipperd”. Tweederde van alle landen die een (burger)oorlog hebben doorgemaakt, vervalt binnen tien jaar opnieuw in oorlog.