Ruiters

De schaarse keren dat ik voorbij De Hollandsche Manege kom, kan ik het nooit laten er even binnen te lopen. Het is de oudste (1882) paardrijschool van Nederland, gevestigd in een monumentaal 19de eeuws pand aan de Vondelstraat, vlakbij het Vondelpark in Amsterdam.

De voorgevel is nog tamelijk onopvallend – een huis in een rij – maar daarachter ga je een andere, vooral oudere, wereld binnen van scherpe paardegeuren en stille ruiters in opperste concentratie. Dit alles onder een dak dat van de buitenwereld alleen het zonlicht gedempt toelaat.

Op deze zondagmiddag worden meisjes van een jaar of vijftien met hun paard onderworpen aan landelijke dressuurproeven. De ruiter kan promotiepunten halen die recht geven op een diploma, vergelijkbaar met het nationale zwemdiploma.

De ruiters komen op hun paard via twee klapdeurtjes aan de zijkant de manege binnen, moeten even stilstaan om een korte groet (hoofd omlaag) te brengen en beginnen dan aan de proef. Deze wordt afgenomen door een vrouw in een rood vest, die met een hoge, dwingende stem de holle ruimte doorklieft. Ze dreunt van papier een reeks opdrachten op, die ik voor het eerst van mijn leven hoor. Elke sport heeft zijn eigen jargon, bijna ondoordringbaar voor de leek.

„Tussen C en R arbeidsgalop rechts aanspringen!”

„HK gebroken lijn vijf meter doorzitten!”

„BE halve grote volte, voor de E doorzitten!”

„Tussen M en C arbeidsdraf, van hand veranderen, de teugels op maat maken!”

„A afwenden, arbeidsdraf stilstand, halt houden, groeten!”

Die letters, merk ik, corresponderen met letters op de wanden van de manege, het zijn de vlakken waarin de vloer als het ware is opgedeeld. Wat opvalt is de stoïcijnse rust waarmee de meisjes de oefeningen doen, hun gezicht blijft strak en onbewogen en vertoont hooguit een blosje van onderdrukte spanning.

Zelf zou ik zeer nerveus worden van de strenge stem van de vrouw in het rode vest. Als de oefening voorbij is, is zij de eerste die applaudisseert, overdreven hard, als om het goede voorbeeld te geven. Waarom zijn er trouwens zo weinig toeschouwers? Op de tribune naast de bar boven de manege zitten maar enkele mensen te kijken. Waar zijn de ouders, de broers en zusjes? Misschien ben ik te veel gewend aan de opwinding rond voetbalvelden met jeugdige spelertjes.

Onderaan de trap naar de tribune staan een meisje en twee jongens.

„Het is een kutdag”, zegt het meisje.

„Ja, het is kut”, zegt een van de jongens. Hij kijkt naar de andere jongen. „Waarom heb jij je gewone kleren aan? Mogen de mensen niet weten dat je paard rijdt?”

De jongen lacht en mompelt wat.

„Je bent zeker bang dat ze je een mietje noemen”, zegt de ander. „Weet je wat het is? Door die rijbroek komt je hele zaakje nogal hoog te zitten. Bij wielrenners zie je dat ook.”

„Kan het daar wat stiller zijn?” roept de vrouw in het rode vest, „we zijn hier bezig.”

De kleine tribune heeft een met een rood gordijn afgeschermd hoekje. Daar zetelt de jury. Hier worden de promotiepunten uitgedeeld, want daar gaat het in het leven toch vooral om, zelfs in onze vrije tijd: promotiepunten.