Export geweld uit Colombia

De terreur van rebellen uit Colombia in buurland Venezuela neemt toe.

Uit angst zwijgt de bevolking over de problemen.

Oorlogsbelasting, zo heet de financiële vordering die de illegale gewapende Colombiaanse groepen verlangen van de ondernemers en veeboeren in de Venezolaanse grensprovincies Táchira, Apure en Zulia. In keurige zakelijke brieven, met het embleem van de guerrillagroepering, wordt de vacuna (inenting) „als noodzakelijke bijdrage in de strijd” gevorderd. Bij wanbetaling volgt ontvoering, een eis tot losgeld die al gauw kan oplopen tot 500.000 dollar en niet zelden de dood.

Die incassowaarschuwing staat niet in de brief, maar in Venezuela weet iedereen wat hem bij afpersing te doen staat. „Rekken, onderhandelen en uiteindelijk betalen. De Colombiaanse terreurgroepen zijn hier oppermachtig. Hulp vragen aan de politie helpt niet want die zijn in hoge mate bij de misdaden betrokken”, zegt Javier Pérez.

De 38-jarige koeienhouder in de op zestig kilometer van de Colombiaanse grens gelegen stad San Cristóbal is president van de vereniging van veeboeren in de staat Táchira. De provincie afficheert zich als de groene staat waar hartelijke mensen wonen. Maar de zestienhonderd leden zijn de wanhoop nabij, vertelt Pérez in de vergaderzaal van zijn associatie waar zijn twaalf in waterverf afgebeelde voorgangers toekijken.

„Onder het bewind van president Hugo Chávez zijn in Venezuela de activiteiten van de Colombiaanse subversieve groepen als FARC, ELN en de paramilitairen enorm toegenomen. Sommige leden worden door alle groepen tegelijk afgeperst”, zegt Pérez. „Vanwege zijn sympathieën voor de marxistische strijd ontkent onze president het probleem eenvoudigweg. En sinds enige jaren worden we nu ook nog bedreigd door Venezolaanse guerrillero’s van de zogeheten Fuerzas Bolivarianas de Liberación.”

In 2006 zijn volgens hem zeshonderd mensen in Táchira door professionele moordenaars gedood, twaalf keer zo veel als in 2002. En de gewapende groepen houden op dit moment in het westen van Venezuela 78 Venezolanen vast en onderhandelen over losgeld. Volgens de vluchtelingenorganisatie van de VN, UNHCR, zijn de afgelopen jaren naar schatting 200.000 Colombianen de Venezolaanse grens overgestoken, weggejaagd uit eigen land door gewapende groepen die gebieden ‘vrijmaken’ voor cocateelt of voor smokkelroutes.

De vluchtelingen hebben mede door de voortdurende nabijheid van hun gewapende landgenoten zo’n angst dat ze niet over hun problemen praten. daarom spreekt de UNHCR-chef in San Cristóbal, Shant Dermegerditchian, van „het onzichtbare probleem”. De Colombiaanse immigranten mengen zich achteloos tussen het Venezolaanse broedervolk. Slechts 8.000 Colombianen hebben een vluchtelingenstatus aangevraagd. De Venezolaanse overheid heeft 852 vluchtelingen erkend.

Een van die Colombiaanse vluchtelingen staat in de grensgemeente Coloncito langs de weg vruchtensapjes en fruit te verkopen. Met hulp van een microkrediet van de UNHCR heeft de 56-jarige man een mobiel en een metalen fruitstalletje aangeschaft. Hij heeft voor zijn gezin de vluchtelingenstatus aangevraagd maar desgevraagd zegt hij alleen naar Venezuela te zijn verhuisd „omdat hier meer werk is”. Vragen over de onveiligheid ontwijkt hij.

Ook de Venezolaanse juf van het plattelandsschooltje in La Fría, Maria Teresa Rincon, is weinig mededeelzaam. Ze durft niet te zeggen waar de Colombianen in haar buurt wonen. Maar de toevloed is gestaag. Van de 56 leerlingen op haar schooltje komen er zeventien uit Colombia. „Er wonen hier meer Colombianen dan Venezolanen”, zegt de serveerster in eetcafé Arturo’s Tienda.

In de weelderige heuvels van Táchira teelt David Rubio champignons. Hij weet ook wel dat president Chávez op verzoek van de Colombiaanse regering met de FARC praat over een humanitair akkoord in Colombia. Maar hij heeft twijfels over Chávez’ oprechtheid om tot een akkoord te komen. „Onze president is beste maatjes met de guerrillero’s. Dat bleek wel in 2004 toen de Colombiaanse geheime dienst hun ‘minister van Buitenlandse Zaken’ Rodrigo Granda ontvoerde omdat hij in ons land woonde. Hij stond zelfs ingeschreven in het kiesregister.”

Rubio vermoedt dat de eigen regering niet optreedt tegen de stijgende terreur omdat ze de slachtoffers, de rijke veeboeren, zien als onderdeel van de oligarchie die men kwijt wil. „Ze zijn bang dat we de oppositie financieren”, zegt Rubio. Als hij later met de auto zijn bezoeker wegbrengt, rijdt hij rondjes om zeker te zijn dat de geheime dienst het spoor bijster raakt. „Ik word af en toe gevolgd.”

De Colombiaanse gewapende groepen gebruiken Venezuela ook steeds vaker als drugsroute naar Europa en de VS. De gouverneur van Zulia en tegenstander van Chávez, Manuel Rosales, zei dat „de aanwezigheid van het leger in het grensgebied alarmerend is afgenomen. De guerrillero’s kunnen zonder problemen Venezuela in en uit reizen.”

Door de toegenomen onveiligheid en het uitblijven van verdere investeringen, is de voedselproductie in de staat gedaald. De melkproductie is in een paar jaar tijd gehalveerd naar een miljard liter. „Deze regering importeert liever melkpoeder uit Argentinië dan ons in staat te stellen veilig te produceren”, zegt Javier Pérez.

In juni vierden de veeboeren van Táchira het 50-jarige bestaan van hun associatie. Maar echt feestelijk is het jubileumjaar niet. „Veel van onze leden houden het voor gezien. Ze vertrekken naar het oosten van het land of nemen de benen naar het buitenland. Ze zien geen andere keuze.”