Emancipatienota richt zich op de verkeerde groep

Succesvolle allochtone vrouwen kunnen aan het emancipatieproces de impulsen geven die nodig zijn voor een trendbreuk, zeggen Senay Özdemir c.s.

De emancipatienota van minister Plasterk maakt terecht onderscheid tussen aan de ene kant de meisjes en vrouwen die goed presteren en aan de andere kant degenen die zelfs geen startkwalificaties bezitten. Maar vervolgens gaat bijna alle aandacht uit naar die laatste groep.

Inderdaad hebben veel allochtone vrouwen een taalachterstand en (dus) geen diploma’s. De schatting is 79 procent, dat is al langer bekend. Wat de minister aan dat probleem wil doen, is al evenmin nieuw. Hij wil vrouwen stimuleren meer vrijwilligerswerk te gaan doen. In de hoop dat ze daardoor meer betrokken raken bij de samenleving. En dat ze vervolgens als ‘paraprofessionals’ aan het werk kunnen. Een soort Melkertbanen dus. Maar wat hebben die tot nu toe opgeleverd?

De vraag is wat de minister bedoelt als hij het over participatie heeft. Doe je als allochtone vrouw al mee aan de Nederlandse samenleving als je de straat op durft? Als je boodschappen doet in het winkelcentrum? Als je op de koffie gaat bij de buurvrouw? Als je overblijfmoeder bent? Zijn dat de klinkende resultaten waar minister Plasterk aan het eind van zijn termijn op terug wil kunnen kijken? De minister vergeet dat ook voor allochtone vrouwen betaald werk de snelste, zo niet de enige weg is naar volwaardige maatschappelijke participatie. Zeker in de westerse cultuur gelden status en inkomen als een voorwaarde om sociaal te worden geaccepteerd.

Al laten we de ene helft van de allochtone vrouwen vrijwilligerswerk doen en geven we de andere helft een baantje als alfahulp, dan is er nog steeds niemand economisch zelfstandig. Bij het bevorderen van dát doel schiet deze emancipatienota hopeloos tekort.

Wat ondertussen het meest shockeert is wel dat de hele emancipatienota van minister Plasterk draait om het veronderstelde gebrek aan talenten bij vrouwen uit etnische minderheidsgroepen. Dat er ook allochtone vrouwen met een overvloed aan talenten zijn en dat het zaak is die te benutten, wordt hooguit met de mond beleden. Er wordt niets mee gedaan. De minister is tevreden als allochtone vrouwen de taal leren en die vaardigheid vervolgens gebruiken om vrijwilligerswerk te gaan doen of laagbetaalde arbeid. En niemand die allochtone vrouwen vraagt of zij wel zulke paraprofessionele Plasterksters willen worden.

Een blik op het recente verleden leert dat de plannen van deze minister niet gaan werken. Om de sociaal-economische stagnatie te doorbreken en de steeds groter wordende kloof tussen allochtone en autochtone vrouwen te overbruggen is die andere groep vrouwen uit etnische minderheden hard nodig. De vrouwen die behoren tot die overige 21 procent die wel de taal spreekt, die zich wel zelf kunnen redden, die wel een volwaardige baan hebben of een succesvol onderneemster zijn. Alleen zij kunnen aan het emancipatieproces de impulsen geven die nodig zijn voor een trendbreuk.

De cruciale vraag voor iedere minister die hiermee verder wil, is: hoe komt het dat die 21 procent het wél goed doet? Wij hebben wel een idee, maar het zou niet gek zijn om daar eens serieus onderzoek naar te doen. Ondertussen kunnen we vandaag al beginnen om meer gebruik te maken van de ervaringen van deze vrouwen. Hoe hebben zij het glazen plafond doorbroken, hoe hebben zij zich losgescheurd van de plakkende huiskamervloer, hoe hebben zij het negatieve imago van de allochtone vrouw afgeschud? Rolmodellen uit de eigen groep, daar hebben mensen behoefte aan. Via netwerken, discussies en mentorschappen kunnen we de 21 procent leren kennen, zodat we van hun ervaringen gebruik kunnen maken om die andere 79 procent ook te ondersteunen in hun ambities. Maar dan wel op een manier die werkt. Het is een onderwerp waar de minister serieus naar zou kunnen kijken.

Je hoeft maar een paar maatschappelijk geslaagde allochtone vrouwen (en mannen) te kennen om te weten dat een studie en een baan de weg zijn naar vrijheid en onafhankelijkheid. De 21 procent vrouwen waar de minister het niet over heeft, merken dat elke dag. Zolang zij dat perspectief hebben, zetten zij er als pitbulls hun tanden in om hun vrijheid te behouden. Die bewonderenswaardige eigenschap verklaart ook waarom allochtone vrouwen – als zij eenmaal een diploma hebben – vaker dan autochtone vrouwen doorstromen naar het vervolgonderwijs.

Tot slot de emancipatie van allochtone mannen. Die worden gelukkig in de nota ook genoemd, zij het in drie regels. Vaders, ooms, broers, echtgenoten zijn hoe dan ook een factor in het emancipatieproces van (allochtone) vrouwen, ten goede of ten kwade. Een minister die niet alleen emancipatiezaken in zijn portefeuille heeft maar ook onderwijs, verkeert in een gedroomde positie om deze groep op een positieve manier bij het emancipatieproces te betrekken. Dat kan al beginnen in het voortgezet onderwijs. Daar doen allochtone meisjes het beter dan allochtone jongens, net zoals autochtone meisjes het beter doen dan autochtone jongens. Ook verlaten allochtone jongens beduidend vaker dan hun zusjes het voortgezet onderwijs zonder diploma. Een aparte emancipatienota voor allochtone mannen zou daarom geen slechte investering zijn.

Çilay Õzdemir is freelance journalist en publicist voor Trouw. Stine Jensen is docent aan de Vrije Universiteit en columnist van NRC Handelsblad. Senay Õzdemir is hoofdredacteur van SEN en bestuurslid van Women on Top.