Doe niet zo onhandig met die stok

Het hockeymeisje is een bijzondere menssoort. Zonder stick is zij een knap, kakkerig meisje met een blonde paardestaart. Met stick wordt zij ineens een allesverslindende, ‘Kut!’-roepende, competitieve sportmachine die alles en iedereen omver slaat. (Met een blonde paardestaart.)

Ik ben al mijn hele leven geïntrigeerd door hockeymeisjes om bovengenoemde reden en omdat ik mijn jeugd tussen ze heb doorgebracht zonder zelf te hockeyen. (Ik was nu eenmaal geen allesverslindende machine en bovendien heb ik hockey altijd een inefficiënte sport gevonden. Ik bedoel, pak die bal met je handen of trap er met je voeten tegenaan, maar doe niet zo onhandig met die stok.)

Daarom ging ik naar Goud, de film over het Nederlands vrouwenhockey-elftal dat vorig jaar het WK won. Het werd mijn meest bizarre bioscoopervaring ooit, want de zaal was gevuld met frisgewassen hockeymeisjes van een jaar of elf. Deze meisjes applaudisseerden iedere keer als er in de film een doelpunt gescoord werd door hun hockey-idolen, bijvoorbeeld ‘Faat’ of ‘Leo’. (Zoals gebruikelijk in kakmilieus hebben alle hockeyspeelster in de film een bijnaam die beter past bij een oude man of een dikke kater.) Dat was irritant, maar intrigerend. Waarom zou je in een donkere zaal klappen voor doelpunten die een jaar geleden gemaakt zijn?

Irritant maar intrigerend waren ook de hockeyvrouwen. Irritant omdat ze bij elke tegenslag (‘Je mag niet mee naar trainingskamp’) acuut begonnen te wenen. Intrigerend omdat zij op het veld juist keihard met die sticks in het rond zwaaiden. En omdat ze in hun vrije tijd boeken van Dostojevski lagen te lezen.

Het huilen speelde een grote rol in de film. De bondscoach, Marc Lammers, die juist nogal van de geremde emoties was, durfde op een gegeven moment amper nog een slechtnieuwsgesprekje te voeren. Gejaagd zag je hem dan het trainingsveld oprennen, er vlug een meisje afhalen, snel roepen dat ze goed speelde maar dat ze niet mocht meedoen aan de volgende wedstrijd, wat onhandige schouderklappen uitdelen en dan als een haas vluchten naar de dug-out. Waarop de speelster natuurlijk alsnog in huilen uitbarstte en haar spelersvriendinnen iedere keer hetzelfde zeiden: ‘Je moet niet aan jezelf gaan twijfelen hoorrr.’

Na de film vroeg ik me langdurig af of al dat gehuil nu onsportief en kinderachtig was, of juist een teken van grote passie voor de sport. Ik kwam er niet uit. Hockeymeisjes. Mysterieuze wezens.