Cinematic Orchestra ontdekt de jazz

The Cinematic Orchestra. 7/10 Paradiso, Amsterdam.

Wat een verrassing: The Cinematic Orchestra is geen hip gezelschap met ‘turntablists’ (draaitafel-kunstenaar) en samples meer, en ook geen betoverend orkestje dat klanken laat versmelten tot koesterende soundscapes, zoals op hun laatste cd Ma Fleur (2007). The Cinematic Orchestra, geesteskind van de Brit Jason Swinscoe, is een zestal virtuozen die nu de jazzmuzikant in zichzelf hebben ontdekt, In Pradiso door een gematigd enthousiast publiek ontvangen.

Met een collectief als TCO kan het alle kanten op. Op hun cd's laten ze de nummers zingen door gastzangers, wat op de laatste leidde tot een prachtige wisselwerking tussen de dwalende stembuigingen van Patrick Watson, en het aardse geluid van soulzangeres Fontella Bass. Live hebben ze deze stemmen niet tot hun beschikking. Gisteravond grepen de bandleden dan ook hun kans om een huwelijk tussen afgeronde synthesizerklanken en driftige jazzritmes tot stand te brengen. Saxofonist Tom Chant, gerecruteerd uit de top van de Britse free jazz-scene, speelde hier de hoofdrol met zijn eruptieve, maar weinig toegankelijke, hoogtonige solo's. Aanvoerder Swinscoe stond achter een keyboard, de drummer en bassist mochten om de beurt ook een solo spelen, waarbij de anderen hun instrument weglegden en toekeken. Zo ontstonden er nauwelijks ‘nummers’, en de beoogde synthese tussen jazz en ‘cinematografische’ klanken bleef uit.

Drie keer mocht zangeres Heidi Vogel op het podium komen voor een bijdrage. Deze monumentale vrouw met haar misthoornvolume heeft niet de verfijning van Fontella Bass. Maar haar versie van het nummer Breathe gafeen ogenblik lucht aan een amechtig concert.