‘Bijlmer is nu een openluchtmuseum’

Een etentje met aannemer bracht architect Bas Liesker op het idee om een week door te brengen in een door hemzelf ontworpen woongebouw in de Bijlmer. „Aan de Bijlmerdreef is het zo stil dat ik er niet van kan slapen.

Bas Liesker voor het woongebouw Gerenstein (Foto NRC Handelsblad, Maurice Boyer) Bas Liesker voor Gerenstein Foto NRC H'Blad Maurice Boyer 071005 Boyer, Maurice

AMSTERDAM, 8 OKT. - „Het is hier doodstil”, zegt Bas Liesker. „Dat vind ik het opvallendst. De paar kroegen die hier zijn, gaan al vroeg in de avond dicht. Ik ben de Amsterdamse binnenstad gewend met zijn trams en ambulances. Maar hier aan de Bijlmerdreef is het zo stil dat ik er niet van kan slapen.”

Liesker, een van de architecten van Heren 5, woonde een week in de Bijlmermeer in Amsterdam, in een appartement in een door zijn bureau ontworpen gebouw, vlakbij het winkelcentrum Ganzenhoef. De nieuwbouw van Heren 5, Gerenstein, maakt deel uit van de vernieuwing van de Bijlmermeer, de roemruchte nieuwbouwwijk van omstreeks 1970, waar de afgelopen tien jaar veel van galerijflats plaats hebben gemaakt voor appartementengebouwen als Gerenstein.

Liesker is een van de tien tijdelijke bewoners van Gerenstein, onder wie schrijfster Lydia Rood en de meiden van Halal, die onder de naam Logerenstein wekelijks verslag doen van hun ervaringen in Het Parool. Het idee voor Logerenstein ontstond tijdens een etentje met de aannemer van Gerenstein. De Nijs. „Die zei toen iets dat je mensen wel vaker hoort zeggen: architecten zouden zelf eens in hun creaties moeten wonen”, legt Liesker uit in zijn twee verdiepingen tellende appartement in Gerenstein. „Dat wilde ik wel. Later hebben we het uitgebreid met negen anderen. Het is interessant om te zien wat zij vinden van de nieuwe Bijlmer. Al mijn vrienden en kennissen komen hier nooit, maar ze hebben er wel een mening over. Foute boel, zwarte mensen, eng en gevaarlijk, denken de meesten. Zo krijgt de Bijlmer nooit een kans.”

Liesker en Heren 5 hebben Gerenstein ontworpen met als uitgangspunt een tekening van een huis, gemaakt door een kind uit de Bijlmer. „Dit Bijlmermeisje had niet een archetypisch huis met een puntdak getekend, maar een een lange, hoekige baan met een schoorsteen waaruit rook komt”, vertelt Liesker. „Die baan moest de entree, de lift en de galerij verbeelden. Het geheel beschouwde ze blijkbaar als haar huis.”

Gerenstein is daarom een soort Bijlmerkinderhuis geworden, met veel verschillende woningen aan lange brede gangen die als binnenstraten moeten fungeren. De gangen worden onderbroken door grote, hoge ruimtes, die een glazen gevel aan de straatkant hebben en binnenmuren met kolossale kleurige abstracte schilderingen van Henri Jacobs. „Ons idee was dat het appartementengebouw door de binnenstraten en pleinachtige ruimtes een buurtgevoel krijgt”, legt Liesker uit. Nu ongeveer vijftig van de negentig appartementen zijn betrokken, is het nog te vroeg om vast te stellen of deze verwachting ook uitkomt, maar Liesker heeft goede hoop. „Je kunt bij verschillende appartementen al zien dat de bewoners zich de gang toeëigenen”, zegt Liesker. „Ze hebben er, net als in een gezellige straat, bankjes, stoelen en planten neergezet. En van de week zag ik kinderen tikkertje spelen op de pleintjes. Volgens mij worden dat de plekken waar ze straks leren skaten.”

Een deel van zijn week in Gerenstein heeft Liesker gebruikt om na te gaan hoe de Bijlmer kon ontstaan. „De Bijlmer is in de jaren zestig ontworpen door een groep mensen met de beste bedoelingen”, zegt hij. „Maar daar is weinig van terecht gekomen. Ik denk dat dit vooral komt doordat de ontwerpers heel rigoureus waren in hun egalitarisme en collectivisme: iedereen moest op dezelfde manier wonen. In een rapport van de supervisoren van het Bijlmerontwerp staat letterlijk dat aan de wens van de bewoner die een onderscheidende woning wil, niet tegemoet kan worden gekomen. Het resultaat van dit denken zijn de eendere honingraatvormige galerijflats waarover koningin Juliana zei toen ze de maquette van de Bijlmer zag: ‘Heel mooi, maar waarvoor dienen al die kamerschermen?’ Terwijl de Amerikaanse Jane Jacobs al in 1961 in haar boek The Death and Life of Great American Cities precies had laten zien waarom zulke gigantische galerijflats niet werkten. De vraag hoe het komt dat zo’n groep ontwerpers ondanks alle rode lichten zo koppig is voortgegaan op de ingeslagen weg, intrigeert me.”

Toch heeft Liesker tijdens zijn week in Gerenstein vastgesteld dat het toch nog goed is gekomen met de Bijlmer. „De mislukking van de Bijlmer is een blessing in disguise gebleken”, zegt Liesker. „Het is hier nu een echte multiculturele wijk geworden, waar verschillende groepen vreedzaam naast elkaar leven. Het is ook een openluchtmuseum van de stedenbouw geworden. Na de sloop van de galerijflats werden hier eerst heel kleinschalige wijkjes gebouwd. De laatste jaren zijn er ook appartementencomplexen in allerlei variaties neergezet. Samen met de niet gesloopte galerijflats zorgen ze voor iets dat op een echte stad begint te lijken, met verschillende lagen. De oude galerijflats staan in een Engels landschapspark, de nieuwe appartementencomplexen staan langs een Franse boulevard en daartussen zijn ook nog echte Nederlandse Vinex-huizen tussen. Zulke verrassende contrasten zie je nergens anders.”