‘Ze zitten maar te wachten’

Jeugdgevangenissen falen bij de heropvoeding van jonge gedetineerden. Schrijfster Bibi Dumon Tak bracht jaren achtereen bezoeken aan jeugdcriminelen. „De slimme Samir kan zijn havo niet afmaken omdat zijn jeugdgevangenis alleen vmbo-boeken heeft.”

Schrijfster Bibi Dumon Tak Foto Roger Cremers Nederland, Amsterdam, 13-09-2007 Bibi Dumon Tak, Studeerde Nederlandse taal- en letterkunde aan de universiteit van Utrecht. en is Fulltime Schrijfster. Het koeienboek werd bekroond met een Zilveren Griffel PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Cremers, Roger

Maandenlang luisterde schrijfster Bibi Dumon Tak naar de verhalen van jeugdige criminelen. Ze vertelden haar over hun berovingen, inbraken en vechtpartijen. Op een gegeven moment probeerde zij zichzelf voor te stellen dat ze iemand ging beroven. „Dan moet ik een mes meenemen, dacht ik. Dat durf ik al niet. Dan zou ik iemand moeten bedreigen. Dat kan ik helemaal niet. Als iemand zich zou verzetten dan zou ik moeten steken. Dat vind ik volkomen onvoorstelbaar”, zegt Dumon Tak.

Dumon Tak bedoelt dit: „Om te kunnen doen wat deze ontspoorde jongens hebben gedaan, zou ik een langdurige en intensieve training moeten volgen. Op dezelfde manier moeten deze jongens leren hoe ze zich moeten gedragen in de normale samenleving. Dat is dus ontzettend moeilijk, dat vergt jaren van intensieve begeleiding.”

Precies dat is de taak van de ‘justitiële jeugdinrichtingen’, waar de kinderrechters ernstig ontspoorde minderjarigen naartoe sturen. Sommige kinderen zitten hier voor enkele weken, anderen verblijven hier jaren. „Hun rechtszaken spelen achter gesloten deuren. Dat is bedoeld om hen te beschermen, maar het resultaat is dat we nooit iets van henzelf horen”, zegt Dumon Tak: „We weten niet wat hen drijft, hebben geen idee hoe ze op het verkeerde pad zijn geraakt.”

Om hun een stem te geven heeft Dumon Tak met ongeveer twintig gevangen kinderen gesprekken gevoerd. Met sommigen maar een paar keer, zoals met de gewetenloze Sontje die een leeftijdgenoot had afgeperst. Met anderen heel vaak en langdurig, zoals met Geert die niet alleen gewelddadig is maar ook heel goed vertellen kan. Hun verhalen zijn te lezen in haar net verschenen boek Rotjongens, het leven in de jeugdgevangenis.

De lezer maakt hierin kennis met Lex die een steen door de voorruit van een intercity gooide, Dorus die twintig auto’s op een avond kraakte en Naïma die collecteerde voor een niet-bestaand doel. De jongens – en enkele meisjes – vertellen huiveringwekkende en soms ook humoristische verhalen over een leven vol geweld, verwaarlozing, verkrachting en eenzaamheid. De verhalen van de kinderen en de observaties van de schrijfster laten zien dat jeugdgevangenissen weinig aan begeleiding en behandeling doen, vooral verveling en gekibbel te bieden hebben. De slimme Samir kan bijvoorbeeld zijn havo niet afmaken omdat zijn jeugdgevangenis alleen vmbo-boeken heeft.

Dumon Tak is dan ook „heel blij” met het vernietigende rapport van de Algemene Rekenkamer dat afgelopen week verscheen. Hierin staat dat jeugdgevangenissen falen bij de heropvoeding van jonge gedetineerden. Dumon Tak: „Na maximaal zes jaar komen die jongeren weer vrij, hoewel ze niet of nauwelijks zijn behandeld.” Volgens een ander recent rapport zijn veel instellingen onveilig. Klopt, zegt Dumon Tak: „Gevangenen en groepsleiders zitten de hele dag samen in een lokaal. Als een jongen voor de vijfde maal komt vragen of hij naar huis mag bellen, raken de groepsleiders geïrriteerd. En dan zijn er nog elf anderen die zich rot vervelen. Het is een ongezond klimaat.”

Opvallend is de ongelooflijke agressie van die jongens. Geert zegt: „Als ik met mijn handen vecht kan ik iemand helemaal kapot slaan.” Plaatst die agressie hen niet in een totaal andere wereld?

„Nee. Als kind kon ik ook zo boos worden, zo driftig – dan ging ik ook slaan. Alleen, mijn moeder ging met mij naar de buurvrouw om mij na een vechtpartij excuses te laten maken. Geert is als kind de hele tijd gekleineerd door zijn ouders. Toen hij op school ook nog eens werd gepest, heeft hij op een gegeven moment gedacht: en nu ik eens. Die gedachtengang kan ik wel volgen.”

Officieel hebben slechts enkele jongens een stoornis. Maar Rotjongens wekt de indruk dat ze allemaal een gedragsstoornis hebben.

„Ik ben geen deskundige, maar naar mijn waarneming heeft 100 procent een gedragsstoornis. Bij sommigen zal het aangeboren zijn, bij anderen is het later ontstaan, maar jongens die zulke verschrikkelijke dingen doen, zijn gestoord. In het begin dacht ik: die jongens kunnen niet vooruit denken. Maar het is veel erger. Ze kunnen niet terugdenken – ze beseffen niet wat ze fout hebben gedaan. Ze kunnen ook niet ‘opzij’ denken; ze zien niet wat hun slachtoffer voelt. Santino, een heel heftige jongen die mij het getatoeëerde mes op zijn borst liet zien, zegt: ‘Waarom aan een ander denken, als iedereen voor zichzelf kan denken?’ Geen idee van wat een ander voelt. Ik vroeg die jongens vaak: ‘Stel dat je zus was gepakt, of je oma’. Dan reageerden ze met: ‘Dat zou ik heel erg vinden.’ Dan zei ik: ‘Die vrouwen die je beroofde waren iemands zus of oma’. Dan leek er plotseling wel iets tot ze door te dringen. Blijkbaar was zoiets nooit eerder tegen ze gezegd.”

Hoe kan dat?

„Met veel van die jongens wordt niets gedaan. In mijn boek zitten drie jongens die worden behandeld en met hen kon je ook redelijk goed praten. De meeste andere jongens zaten maar te wachten. Een jongen moest zelfs een jaar wachten op zijn behandeling. Dat is een verloren jaar. Een heel kostbaar jaar, want het verschil tussen iemand van 13 of van 14 jaar is heel groot. En terwijl die jongens wachten, vervelen ze zich enorm. Officieel hebben de gedetineerden recht op twee keer drie kwartier sport per week, maar in veel instellingen wordt dat niet gehaald.”

De verhouding tussen de jongens en de groepsleiders is ook slecht. Hoe kan dat?

„Om te beginnen zijn er twee leiders op een groep van twaalf. Zoveel zware jongens tegelijkertijd opvoeden lijkt me een bijna onmogelijke taak. Verder hebben die begeleiders geen idee waar ze aan begonnen zijn. Zo had ik een gesprek met Sontje, die heel erg nerveus en kwetsbaar was. Daarna liep hij naar de groepsleider, ging heel dicht bij hem staan en zei dreigend: „Ik eet je op, ik eet je op.” Gewoon om te laten zien aan de andere jongens dat hij nog steeds stoer was. Die groepsleider zei terug: „Ja, ja, doe maar niet zo stoer als er anderen bij zijn.” Zo zetten de groepsleiders de jongens steeds op hun plaats, waardoor die jongens weer boos worden. Het is een spel – de jongens tegen de leiders. Dat de hulpverleners niet boven de jongens staan, is een van de zaken die me het meest hebben verbaasd. Politieagenten doen dat trouwens ook, die maken zo’n jongen ook meteen klein met opmerkingen als: ‘Nou heb je niet meer zo’n grote mond.’ Op die manier schep je een sfeer van wantrouwen.”

In het boek staat: „Samir en veel andere jongens hebben nooit geleerd te praten.” Komt dit doordat zij uit lagere milieus komen?

„Dat denk ik wel. Het is ook een cultureel probleem; de Marokkaanse schaamtecultuur, waardoor problemen worden ontkend. Als zo’n jongen laat thuis komt, dan vraagt de moeder misschien wel: waar ben je geweest? Maar ze neemt genoegen met een smoes en vraagt niet door, omdat de ouders het probleem niet willen zien. Dat komt overigens ook bij niet-Marokkanen voor. Joël komt uit een autochtoon en kerkelijk gezin, maar zijn ouders wilden niet zien dat hij op een gegeven moment maar 48 kilo woog.”

In de rechtszaal zijn de ouders er vaak ook niet bij.

„Ouders worden er in het huidige systeem sowieso te veel buiten gehouden. Ouders zouden gedwongen moeten worden om de rechtszaken van hun kinderen bij te wonen, zodat ze echt beseffen hoe erg het is fout gegaan. Daarna moeten ze bij de behandeling worden betrokken. Nu komen jongens na twee of drie jaar afwezigheid thuis en dan zijn ze helemaal van hun ouders vervreemd. Ricardo zei tijdens zijn verlof ‘u’ en ‘mevrouw’ tegen zijn moeder.”

In het boek zijn de kinderrechters een toonbeeld van geduld en doortastendheid.

„Ik was enorm gerustgesteld nadat ik de kinderrechters aan het werk heb gezien. Allereerst zijn ze zeer terughoudend met het opleggen van gevangenisstraf omdat die naar hun mening toch niet helpt. Een klein lichtstraaltje, de kleinste strohalm grijpen ze aan om toch nog eens iets te proberen met zo’n jongen. Zoals bij Roberto, de jongen die terechtstond voor mishandeling. In zijn stapeldikke dossier ontdekte de rechter dat hij op hoog niveau voetbalt. Dat zag de rechter als een sprankje hoop. Daarom kreeg hij een voorwaardelijke gevangenisstraf. Verder staan de kinderrechters wel echt boven die jongens en meisjes, ze nemen niets persoonlijk op. Als Naïma in de rechtzaal maar niet kan ophouden met lachen, wordt de rechter helemaal niet boos. Na afloop zei hij dat hij eigenlijk wel snapte dat een meisje in een vreemde omgeving de slappe lach kreeg. Die houding van die rechters is heel erg goed. Het zou fijn zijn als politieagenten en hulpverleners net zo boven die jongens zouden staan.”

Als een van de weinige deskundigen komt een politieman aan het woord. Waarom?

„Ruben werd verdacht van aanranding. Het probleem was alleen dat zijn verhaal zo vaag was – hij had alleen ‘gestoeid’ met een meisje en op een gegeven moment zaten zijn handen ‘per ongeluk op de verkeerde plek’. En bovendien was het onderzoek nog pril. Daardoor werd Rubens verhaal heel vlak. De politieman gaf het verhaal reliëf door zijn ervaringen met zedenzaken.”

Zijn stelling luidt dat verhalen over groepsverkrachtingen in kelderboxen doorgaans overtrokken zijn. Is dat geloofwaardig?

„Ja, zeker, maar dat wil niet zeggen dat groepsverkrachtingen niet voorkomen. Tegenover het verhaal van de politieman staat in mijn boek het verhaal van Amra die door vijf jongens is verkracht. Die jongens gebruikten boterhamzakjes als condoom. Toen ze me dat vertelde, voelde ik zo’n woede bij me opkomen.”

Een jongen als Ruben lijkt door zijn gebrekkige zelfreflectie een verloren zaak. Mikaël, die zich heeft bekeerd tot de islam, maakt daarentegen een verstandige indruk met zijn rake opmerkingen over moslims en over terreurbestrijding.

,,Ja, Mikaël is intelligent, en volgens zijn moeder gaat het nu redelijk goed met hem: hij durft nu weer in een café koffie te bestellen. Maar heel simpele dingen kan hij nog steeds niet regelen. Ik sprak hem voor het laatst toen hij net na zijn vrijlating een baan had gevonden. Op zijn eerste werkdag had hij een afspraak bij de reclassering. ‘Stel die afspraak uit’, zei ik, ‘bel even’. Uiteindelijk belde hij met mijn telefoon, maar zijn contactpersoon was er niet. ‘Laat maar’, zei hij toen. Hij heeft een week vastgezeten, omdat hij bij de reclassering niet kwam opdagen. Dit soort jongens moet intensief worden begeleid. Het rapport en ook mijn boek maken duidelijk dat we iets anders moeten bedenken. Als een kind al wordt behandeld, is het budget de helft van dat van een volwassene. Alle kinderen moeten behandeld worden en voor hen moet zeker zo veel geld zijn als voor volwassen. Het is onmogelijk om hen allemaal op het goede pad te krijgen, maar we moeten het blijven proberen. Dat zijn we verplicht aan de kinderen en aan onszelf.”

Bibi Dumon Tak: ‘ Rotjongens, het leven in de jeugdgevangenis’; uitgeverij Atheaeum – Polak & Van Gennep; 158 pag.