‘Ze schoten op alles wat bewoog’

‘Ik was negentien toen de studentenopstand in Birma begon. Het was 1988 en ik woonde met mijn ouders en twee zusjes in Taungoo, een oude stad tussen Rangoon en Mandalay. Ik studeerde aan de technische universiteit en ik droomde er van architect te worden. Ik maakte goede kans die droom te verwezenlijken aangezien mijn vader een bestuurlijke functie bekleedde. Want je kon nog zulke mooie resultaten behalen, alleen als je vader geld of invloed had, was je als Birmese student zeker van een toekomst.

Ik leidde een rustig bestaan. Ik ging naar de universiteit en in mijn vrije tijd speelde ik basketbal met mijn vrienden. Ik dacht dat ik nooit zonder mijn familie zou zijn. Wist ik veel hoe een mensenleven kan lopen.

Het begon allemaal toen de Birmese regering afkondigde dat de biljetten van 75, 35 en 25 kyat voortaan niets meer waard waren. Iedereen had spaargeld en opeens waren we dat kwijt. Veel studenten waren boos en hadden kritiek op de regering. In juli 1988 gingen ze massaal de straat op. De directe aanleiding was de gewelddadige dood van een vijfdejaarsstudent techniek. De oproerpolitie had hem doodgeschoten en de regering deed niets om de zaak uit te zoeken. Vervolgens werd overal in het land gedemonstreerd voor gerechtigheid en burgerplichten. Ook in Taungoo.

Mijn ouders waren bang dat ik zou meedoen aan de studentendemonstraties in Taungoo en stuurden mij naar mijn grootouders die in Rangoon woonden. Maar in Rangoon ontmoette ik oude schoolvrienden die inmiddels studeerden. We waren allemaal vervuld van hetzelfde ideaal. We wilden een einde maken aan de dictatuur. We wilden dat Birma modern zou worden. Ons land was rijk, maar de bewoners waren arm. Alle rijkdommen werden gestolen door onze leiders en die verdeelden ze onder hun familieleden.

We gingen elke dag de straat op om te demonstreren. We verkeerden in een euforie, want we vochten samen voor een betere toekomst. Bang? We waren helemaal niet bang. Bijna alle studenten namen deel aan de demonstraties. Burgers, monniken en zelfs soldaten sloten zich bij ons aan. Het kwam niet in ons hoofd op dat we gevaar zouden kunnen lopen. Het was een prachtige tijd.

Aan die tijd kwam abrupt een einde op de avond van 8 augustus 1988, om kwart over 11. Dat tijdstip staat in mijn geheugen gegrift. We stonden met tienduizenden rond het stadhuis van Rangoon. Er arriveerden tanks en trucks met grote machinegeweren. Toen begon het schieten. Ik zag hoe de mensen die vooraan stonden, vielen. Maar ik kon hen niet helpen. Ik moest rennen voor mijn leven. Ik wist niet waar ik heenging, ik ging gewoon waar mijn voeten me droegen.

Die nacht sliep ik niet. Mijn vrienden en ik kwamen bij elkaar en we bespraken wat we moesten doen. We waren verbijsterd dat dit had kunnen gebeuren. We waren ontzettend boos. We besloten dat we door moesten gaan met de strijd. Bang waren we niet. Nog niet.

Maar toen we de volgende ochtend weer gingen demonstreren, werd er weer geschoten. En nadat iedereen was gevlucht, marcheerden de soldaten door Rangoon. Ze doorzochten de hele stad en ze schoten op alles wat bewoog. Ze doorzochten alle scholen en kampementen van de studenten. Ik dook met acht vrienden onder in een klooster.

Diezelfde maand nog richtte Aung San Suu Kyi de National League for Democracy op. Ik werd onmiddellijk lid en ging actief leden werven. Maar het werd te gevaarlijk voor mij in Rangoon. Mijn oom, die ook in de studentenbeweging zat, kwam naar het klooster en vertelde me dat er mensen naar mij waren komen vragen. Hij zei: „Je kunt maar beter een tijdje weggaan uit Rangoon.”

Samen met mijn vrienden vertrok ik naar het grensgebied met Thailand waar we een paar maanden wilden blijven tot de situatie weer rustig zou zijn. Maar toen we daar aankwamen, hoorden we dat we ons konden aansluiten bij de Kayan, een etnische groep die in de jungle woont en strijd voert tegen de Birmese regering. We hoorden dat we bij hen een militaire training konden krijgen en mee konden vechten. En zo veranderden onze plannen.

Om bij de Kayan te komen, moesten we acht dagen door de jungle lopen met een gids. Ik was nog nooit in de jungle geweest en vond het er erg mooi. Het was er zo stil. Je hoorde alleen het zingen van de vogels en de kreten van de jungledieren. Af en toe hoorde je het geluid van een kabbelende stroom. De bewoners van kleine, goed verborgen Kayan-dorpjes gaven ons te eten. De tocht voerde over hoge bergen en was erg zwaar.

Uiteindelijk kwamen we aan in het hoofdkwartier en kregen we een militaire training. Na drie maanden was ik soldaat en moest ik meevechten tegen Birmese soldaten die ons met granaten bestookten. Ik weet nog dat ze straalbezopen waren. Ik woonde in de jungle en sliep in een hut die ik zelf van bamboe had gemaakt. De Kayan gaven ons rijst en bonen en als je nog iets anders wilde eten, moest je dat zelf regelen. Dus schoot ik zo nu en dan een knaagdier. Ik miste mijn familie, maar ik had goede moed dat ik ze snel weer zou zien.

Gaandeweg verslechterde de situatie. De Kayan wantrouwden ons. Ze twijfelden eraan of we wel werkelijk studenten waren en geen spionnen van de regering. Ze schoten verschillende van mijn vrienden zomaar dood. En het enige wat ze daarover zeiden, was: ze waren verdacht.

Toen begreep ik dat ik mijn leven niet zeker was in de jungle. Ik vluchtte, trok illegaal de Thaise grens over en reisde naar de Thaise hoofdstad, Bangkok. Daar ging ik aan de slag op het kantoor van de All Birma’s Students Democratic Front, de organisatie die gevluchte Birmese studenten in 1988 hadden opgericht om te blijven strijden voor democratie. Maar als illegale Birmees in Thailand liep ik ook gevaar. Op een dag viel de Thaise politie mijn huis binnen, arresteerde me en gooide me in de gevangenis. Na vijf maanden werd ik met 57 andere Birmese studenten op een schip gezet. We hadden geen idee waar we naartoe gingen, maar toen duidelijk werd dat het schip afkoerste op de Birmese kust, schrokken we ons een ongeluk. We zijn toen met z’n allen overboord gesprongen. Dat was een van de moeilijkste momenten van mijn leven, want ik was een slechte zwemmer. Ik was heel erg bang, maar tot mijn verbazing bleek ik beter te kunnen zwemmen dan ik dacht. Vissers zagen ons en hebben ons gered. Ik werd aan boord van een vissersboot gehesen en zo kwam ik weer terug in Thailand.

De volgende dag werd ik weer gevangen gezet, maar door tussenkomst van de Verenigde Naties kwam ik vrij. We moesten in een speciaal, gesloten kamp voor Birmese studenten wonen en kregen een uitkering van de VN. Maar toen een aantal vrienden de Birmese ambassade bezette, werd onze situatie onhoudbaar. Onder druk gezet door de Birmese regering wilden de Thai van ons af en werden we zonder vorm van proces in de gevangenis gegooid.

Ik heb alles bij elkaar vierenhalf jaar in Thaise gevangenissen gezeten. Dat waren barre tijden. Ze mishandelden ons met wapenstokken en sloegen ons in de boeien. Rechterhand vast aan de linkervoet. Probeer het maar eens. Ik zal nooit vergeten wat de Thai ons hebben aangedaan.

Toen kreeg ik te horen dat Nederland aan Birmese studenten asiel wilde verlenen. Ik wist niets over Nederland, ik had op school alleen iets geleerd over de VOC. Maar een vriend van me zei dat Nederland een goed land was. Dus toen ben ik gegaan.

Nu woon ik in een dorp in Noord-Holland, aan de rand van een weiland. Ik wilde graag in een dorp wonen, want ik houd van rust. Ik werk als lasser. Ik moet toch iets doen. En studeren, dat zit er niet meer in.

Twee jaar geleden heb ik voor het eerst weer contact gehad met mijn ouders. Een Birmese vriendin van me, die in Japan leeft, was er achter gekomen waar ze tegenwoordig wonen. Zij regelde dat ik hen kon bellen. Mijn ouders waren verbijsterd toen ze hoorden dat ik nog leefde. Ze waren ervan overtuigd dat ik dood was. Toen ik mijn moeder sprak, kon ze maar niet geloven dat ik het echt was. Ze zei dat ze maar één wens had: mij zien voor ze doodgaat. Het kost erg veel geld om haar over te laten komen. Misschien gaat het lukken. Ik hoop dat ze nog even blijft leven.

Ik woon nu zes jaar in Nederland en ja, ik voel me wel een beetje thuis. Ik kan niet anders. Nederland is nu mijn land en het Nederlandse paspoort is het enige dat ik heb. Daar ben ik dankbaar voor. Maar er bestaan hier harde wetten. Ik wil graag trouwen met mijn Birmese vriendin die in Duitsland woont. Maar daarvoor moet ik voldoen aan een inkomenseis en dat kan ik niet. Dus woon ik nog steeds alleen.

Ik heb de ontwikkelingen in Birma de laatste tijd natuurlijk met spanning gevolgd. Met hoop in mijn hart. Ik ben zelf ook weer gaan demonstreren, op het Plein in Den Haag. Ik heb via internet contact met mensen in Birma en probeer hen te steunen. Maar het laatste nieuws is dat alle kloosters geblokkeerd zijn. Birma zal dus nog langer moeten wachten op democratie.

Toch ben ik ervan overtuigd dat op een dag de dictatuur zal vallen. Het kan niet eeuwig zo doorgaan. Op een dag is het afgelopen. Alleen zal de prijs hoog zijn.”

Opgetekend door Renate van der Zee