Twijfels over de waarde van de markt

Vijftien jaar overheids-propaganda voor marktprikkels heeft zijn sporen nagelaten, maar nog steeds bestaat er veel verzet tegen marktprincipes in de publieke sector.

Margo Trappenburg

Als politicoloog werkzaam bij de Utrechtse School voor Bestuurs- en Organisatiewetenschappen (UU). Bijzonder hoogleraar patiëntenperspectief aan de Erasmus Universiteit. Columnist NRC Handelsblad.

In 1983 schreef de Amerikaanse politiek filosoof Michael Walzer (toevallig in Nederland voor de Thomas More lezing, gisteren samengevat op de Opiniepagina) een beroemd geworden boek getiteld Spheres of Justice. Dit boek gaat over de verdeling van ‘sociale goederen’ in een politieke gemeenschap. Met sociale goederen bedoelt Walzer allerlei dingen: onderwijs, uitkeringen, gezondheidszorg, liefde en affectie, goddelijke genade, banen en vies werk. Volgens Walzer bestaat het leven in een moderne westerse samenleving uit een aantal rechtvaardigheidssferen. In elk van die sferen gelden sfeerspecifieke waarden en principes.

In de sfeer van de ‘gewone goederen’ hoort de wet van vraag en aanbod te gelden. Spelcomputers, digitale camera’s en antirimpelcrèmes mogen naar eigen inzicht door producenten en consumenten worden verhandeld. Daarbij is het geen probleem dat de een zich een leukere spelcomputer, een mooiere camera of een betere crème kan veroorloven dan de ander.

In de sfeer van de medische zorg moeten andere principes in acht worden genomen. Medische zorg moet worden verdeeld naar medische behoefte. Dokters mogen niet kijken wie het rijkst, het mooist, wie het liefst of het belangrijkst is – zij moeten kijken wie er het ergst aan toe is en die patiënt komt eerst. Geen voorkeursbehandeling voor de rijken, de economisch nuttigen, topmannen uit het bedrijfsleven of leden van het koninklijk huis.

In het onderwijs zouden weer andere regels moeten gelden. Weliswaar moet ook daar de marktlogica worden afgewezen (geen extra of beter onderwijs voor de verwende kinderen van veelverdieners), maar onderwijs hoeft ook weer niet te worden verdeeld naar behoefte. Basisonderwijs moet zo worden verdeeld dat burgers gelijke startkansen hebben, heet het in de filosofie van Walzer. En hoger onderwijs mag meritocratisch worden verdeeld. Het is onzin om te zeggen dat iedereen naar het hoger beroepsonderwijs of de universiteit zou moeten kunnen. Dat behoort te zijn weggelegd voor de slimsten en de vlijtigsten.

Filosofen (en filosofisch ingestelde lezers) vragen zich vervolgens af waar die verdelingsprincipes vandaan komen. Zijn het uitgangspunten die verborgen liggen in een door God gegeven scheppingsorde? Berusten ze op natuurrechtelijke principes? Zijn ze invoelbaar voor ieder mens, waar ook ter wereld, die zich door zijn ratio laat leiden? Volgens Walzer is dat allemaal niet het geval. Zijn verdelingsprincipes berusten op gedeelde waarden binnen een politieke gemeenschap. Sfeerspecifieke rechtvaardigheidsprincipes gelden omdat wij, burgers van die politieke gemeenschap, deze principes in grote eensgezindheid onderschrijven. De voornaamste taak van de overheid is in Walzers optiek het bewaken van de grenzen tussen verschillende sferen. De overheid zou er vooral voor moeten zorgen dat de marktlogica niet binnendringt in de sfeer van het onderwijs of de sfeer van de zorg.

Ik ben al sinds eind jaren tachtig een fervent aanhanger van Walzers rechtvaardigheidstheorie en ik bekijk iedere opiniepeiling die ik onder ogen krijg op één terugkerende vraag: zijn onze gedeelde waarden nog intact? Geloven we nog steeds in sfeerspecifieke rechtvaardigheidsprincipes?

Ja, zei ik in 2003, bij lezing van een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau over de quartaire sector. Een hoog percentage Nederlanders (hoger dan in andere landen, aldus het SCP) vond het in dat rapport „zeer onrechtvaardig” dat iemand met een hoog inkomen zich betere gezondheidszorg en beter onderwijs zou kunnen veroorloven.

Ja, zei ik in 2004 bij lezing van het In het licht van de toekomst: Sociaal en Cultureel Rapport van het SCP. 88 procent van de respondenten vond het wenselijk dat kinderen uit verschillende milieus in de toekomst meer gelijke kansen zouden hebben in het onderwijs. Een bijna even hoog percentage burgers vond het onjuist als toekomstige studenten meer voor het hoger onderwijs zouden moeten betalen. Selectie aan de poort op basis van capaciteiten en motivatie werd door 74 procent wenselijk gevonden. Ten aanzien van de gezondheidszorg waren we zo mogelijk nog eensgezinder. 91 procent van de burgers vond het onwenselijk dat mensen die meer betalen betere zorg zouden krijgen.

En hoe is het nu? Tot mijn spijt begint het langzaam te veranderen. Het SCP constateerde onlangs, in De sociale staat van Nederland 2007, dat zich tussen 2002 en 2006 (mogelijk door de introductie van het nieuwe zorgstelsel) een verschuiving heeft voorgedaan. In 2002 onderschreef 34 procent van de mannelijke respondenten de stelling dat „patiënten die dat willen, moeten kunnen betalen voor extra kwaliteit van het ziekenhuis”.

In 2006 was dat percentage gestegen tot 46 procent (voor vrouwen waren de percentages niet veranderd). In de 21minuten-enquête geeft 50 procent van de respondenten aan het wenselijk te vinden „dat mensen de mogelijkheid hebben extra zorg te kopen (bijvoorbeeld meer betalen om alleen op een kamer te kunnen liggen in een ziekenhuis)”. Bijna de helft van de respondenten vindt dat „mensen die ongezond leven meer voor zorg moeten betalen (bijvoorbeeld mensen die roken)”.

Daar staat tegenover dat 92 procent het onwenselijk vindt dat „mensen kunnen betalen om hoger op een wachtlijst voor een behandeling te komen”. In het onderwijs is een ruime meerderheid tegen private scholen die door burgers zelf worden opgezet en gefinancierd. Bemoedigend is ook dat 53 procent aangeeft dat we „ons geld in Nederland beter kunnen investeren in publieke voorzieningen dan in lastenverlichting” (slechts 26 procent prefereerde het omgekeerde). 90 procent van de 21minuten-respondenten vindt gelijke kansen belangrijk of zeer belangrijk. 85 procent zegt hetzelfde over solidariteit.

Forse aantallen van 45 respectievelijk 48 procent van de respondenten menen dat de overheid deze waarden onvoldoende bewaakt. Als Nederlanders moeten kiezen tussen differentiatie of meer gelijke behandeling, valt de keuze uit in het voordeel van meer gelijkheid, schrijven de 21minuten onderzoekers.

Al met al ontstaat het beeld van een bevolking met uitgesproken Walzer-achtige voorkeuren voor sfeerspecifieke rechtvaardigheid, die gedurende vijftien jaar is bestookt met overheidspropaganda, waarin ons eindeloos is voorgehouden dat er marktprikkels moesten worden ingevoerd in zorg en onderwijs, dat het tijd was voor maatwerk, differentiatie, individuele keuzevrijheid en de daarbij horende ongelijkheid. Onder invloed daarvan beginnen we nu een beetje te twijfelen.

Maar meer dan een beetje is het niet. Een overheid die normen en waarden hoog in het vaandel heeft, zou gemakkelijk kunnen besluiten om de sfeerspecifieke normen en waarden van haar burgers voortaan weer te bewaken en te behoeden.

Geen marktprincipes meer in de publieke sector.