THUISFRONT

Rose Gentle is boos. Haar zoon Gordon was drie jaar geleden niet gesneuveld als de Britse strijdkrachten in Irak beter waren uitgerust. De traditioneel hechte verhouding tussen de Britse bevolking en de strijdkrachten brokkelt af. De onvrede over de militaire missies groeit, steeds meer militairen keren het leger de rug toe en zelfs de opperbevelhebber protesteert publiekelijk over de politieke druk op het leger.

'Dear Mr Blair', schrijft de moeder van soldaat Gordon Gentle (19), gesneuveld in Irak, enkele dagen voor Blairs vertrek in een open brief aan de scheidende premier. 'Net voor uw vertrek wil ik u bedanken voor de ontmoeting die we niet hebben gehad. Dat treffen waarom ik u de afgelopen drie jaar heb gevraagd. Op de 27ste juni verlaat u uw post. De 28ste juni is het drie jaar geleden dat mijn zoon Gordon omkwam in Irak. En het is ook op de kop af drie jaar geleden dat George Bush en u op tv waren en ons vertelden dat de Irakezen nu hun land terughadden. Drie jaar verder zijn we inmiddels, en nog steeds hebben we mijn zoons inquest [het officiële onderzoek naar de dood van haar zoon] niet gehad.'

En: 'Ik hoop alleen maar dat Gordon Brown genoeg lef zal hebben om het tegen George Bush op te nemen door te zeggen: 'Ik haal onze troepen terug. (...) Ik ben de

PM van mijn land, ik doe wat ik juist acht.'

En ze eindigt: 'Doet u alstublieft geen moeite om te antwoorden - we weten dat de antwoorden die we terugkrijgen niet van u afkomstig zijn, omdat u de families van de militairen niet ziet staan.'

Het gaat niet écht goed tussen de Britse regering en de strijdkrachten. Maar erger nog: het gaat steeds minder goed tussen de strijdkrachten en de bevolking waaruit die worden gerekruteerd. De werving van aspirant-beroepsmilitairen gaat nog wel, maar steeds meer van hen - of?cieren én manschappen - houden eerder dan ooit hun militaire carrière voor gezien.

Dit grote verloop betekent dat het Britse leger kampt met het grootste tekort in jaren: 5.000 man personeel te weinig en dat terwijl alleen al in Irak 12.000 reservisten zijn ingezet. De reden: onvrede over de missie in Irak, twijfel over de haalbaarheid van de opdracht in Afghanistan en vooral bij de hoogste legerleiding het gevoel dat de politieke bazen hen opzadelen met te veel taken, zonder dat ze daarvoor ook de middelen verschaffen. Gevolg: de strijdkrachten voelen zich in het nauw gedreven en wel zo zeer dat een reeks van net vertrokken en nog dienende generaals, onder wie de opperbevelhebber, zich gedwongen heeft gevoeld publiekelijk te protesteren. Terwijl dat wel het laatste is wat een 'ondergeschikte aan het politiek gezag' zich ooit zal permitteren.

Professor Richard Holmes, als hoogleraar verbonden aan de defensiestudies-poot van Cran?eld University, is bij bbc-kijkers bekend als de enthousiaste militair historicus en documentairemaker van series als War Walks (over de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog) en In the Footsteps of Churchill. Maar Holmes de academicus leidde tot 1986 ook een eigen bataljon en was tot voor kort de hoogste reservist in het Britse leger, Brigadier Territorial Army. Die functie heeft hij nog maar enkele maanden geleden neergelegd. Hij heeft dus een dubbelrol: die van deskundige én van ervaringsdeskundige.

'Wat de Britse regering doet', zegt hij, 'is te vergelijken met de situatie waarin iemand je op een avond in Londen een fantastisch restaurant laat uitzoeken, waarvan het menu hem aanstaat en dan geen seconde rekening houdt met de rekening die hem aan het eind van de maaltijd wacht. En dan ontdekt dat zijn maag groter is geweest dan zijn portemonnee. En ja, dan moet er toch iemand in de keuken gaan afwassen. Als ik zonen zou hebben, zou ik mezelf nu ernstig afvragen of ik ze de dienst in moest laten gaan. De levens van dappere soldaten verdienen een samenhangend beleid. Niet een situatie waarin de nabestaanden zich gaan afvragen: Welke zin heeft dit allemaal gehad?'

Taptoe

De verhouding tussen de Britten en hun strijdkrachten is traditioneel hecht. En veel zichtbaarder hecht dan in Nederland, waar zoiets als de militaire taptoe Delft in feite uit gêne is verdwenen en waar beroepsof?cieren als soort vaak al bij voorbaat als lichtelijk verdacht worden afgedaan. Voor Britten is dienst nemen - al is het maar voor een beperkte aantal jaren - vaak een kwestie van eer, een traditie die van vader op zoon wordt overgedragen. Tot de lokale regimenten bij de herschikking van de defensieprioriteiten een jaar of tien geleden werden afgeschaft, hingen in elke kerk prominent de vlaggen van het plaatselijk regiment. Als bron van trots.

Ook in mijn dorp oefenen nog steeds drie keer per week jonge kinderen, tussen de 10 en 18 jaar, in het soldaatje spelen. Deze army- en sea-cadets krijgen geld van het ministerie van Defensie voor hun opleiding, hun mini-uniformen en hun mini-toerusting en niemand kijkt er hier van op om een stel bemodderde kinderen in kaki en bruin camou?age-uniform, inclusief baret, door bos en wei te zien baggeren 'op oefening'. Bij de jaarlijkse dodenherdenking vormen zij én de band én de erewacht bij het plaatselijke monument, samen met de veteranen van het British Legion, die - als in vrijwel elke plaats in dit land - in het weekend met elkaar drinken in het plaatselijke clubhuis.

'We are a punitive nation', de?nieerde de voormalige Britse minister van Buitenlandse Zaken, Douglas Hurd ooit. Dezelfde vechtersmentaliteit die Engelse voetbalvandalen een wereldwijde reputatie heeft gegeven, heeft in het leger altijd zijn vruchten afgeworpen - met dank aan de legendarische disciplineermethoden van non-commissioned of?cers, de sergeants die belast zijn met de opleiding van soldaten.

De Britse strijdkrachten, nu teruggebracht tot 100.000 op een bevolking van 60 miljoen inwoners, achten zich nog steeds de beste ter wereld: goed getraind, overal ter wereld inzetbaar en niet te verslaan. Maar wat Richard Holmes noemt 'the best little army in the world' wordt ondergraven door 'de politiek': eerst een kabinet-Blair, nu een kabinet-Brown waarin nauwelijks een enkele bewindsman die uit eigen ervaring een idee heeft wat het betekent om in het leger te zijn en - afgezien van de discussie over de Britse aanwezigheid in Irak - een beleid vanuit Whitehall dat soldaten het gevoel geeft dat ze niet meer zijn dan vervangbare tinnen soldaatjes.

'Ministers die zelf nooit geleerd hebben wat het is om te vechten', vertrouwt een ex-of?cier van hoge rang mij toe, 'die zijn altijd het gretigst om een oorlog aan te gaan. Politici die uit eigen ervaring weten hoe het is, in actie komen, houden dat het meeste af.'

Met alle kritiek die het militaire kader heeft op de manier waarop de strijdkrachten 'in de tang worden genomen' (te veel taken, te weinig middelen), is het een zeldzaamheid als iemand die kritiek openlijk naar buiten wil brengen. Oprecht verontruste of?cieren vrezen voor het effect op hun conduitestaat. Bovendien sluiten ze vrijwel automatisch de rijen zodra een buitenstaander - laat staan een buitenlandse mediavertegenwoordiger - zich met de organisatie bemoeit. Onderling loyaliteit is immers de basis waarop hun beroepscode rust.

De hoge ex-of?cier van hierboven, nu als hoofd van een internationale organisatie in een positie waarin hij regelmatig rechtstreeks met bewindslieden communiceert, wil dan ook alleen maar onder het grootst mogelijke voorbehoud van geheimhouding praten. Daarin verschilt hij niet van de andere (ex-)of?cieren en manschappen, die ik de afgelopen maanden voor deze reportage heb gesproken.

Hetzelfde geldt voor hun vrouwen, zoals de echtgenote van die bataljonscommandant wier echtgenoot al twee maal in korte tijd in Irak heeft gezeten en die zegt dat haar man nu actief uitkijkt naar beëindiging van zijn dienstverband. De steeds beperktere rust- en trainingsperioden voor hij zijn mannen weer mee moet nemen naar het oorlogsgebied, de maatschappelijke kritiek op Irak, het gevoel van 'mission creep' in Afghanistan, het idée dat je maar één stap mis hoeft te zetten en je krijgt én de media over je heen én de politieke bazen laten je vallen, het weegt allemaal niet meer op tegen het natuurlijke enthousiasme voor het werk. Zijn vrouw, met wie ik op de basis koffie heb gedronken in een schamele voorkamer, die dient als gemeenschappelijke coffeeshop voor de jonge vrouwen met kinderen die hun bestaan in het militaire kampement moeten doorbrengen, zegt: 'En dat terwijl hij leeft voor het leger. Hij heeft nooit anders gekend.'

Instant-kampement

Met Rose Gentle, de moeder met wie dit verhaal begint, dronk ik onder heel andere omstandigheden koffie. Haar ontmoette ik in februari, bij een instant-kampement in Whitehall, onder de ogen van de politiemensen die het hek naar Downing Street bewaken. Het was ijskoud, het regende, de drie tenten vormden een protest van niets, maar Rose en een tiental medestanders van de Stop the War Coalitie sliepen toch die nacht onder het tentdoek, te midden van het razende verkeer.

Hun verzoek, premier Blair spreken, werd niet ingewilligd.

Twee weken later zit ik met Rose Gentle en de moeder van een nog in leven zijnde soldaat in de Royal Highland Fuseliers, Janet, bij de Burger King in Glasgow, een ontmoetingsplaats die zij hebben gekozen. Non-stop aan de sigaret, boven eindeloze bekers thee, doet Rose Gentle het verhaal van de dood van haar zoon, Gordon Gentle, en van haar actiegroep Military Families Against The War. Die, in haar Schotse woordgebruik 'wel eens a wee bit of respect', in de vorm van rechtstreekse aandacht, van de politici zou mogen krijgen, want volgens haar zijn de families in haar groep 'met wel drieduizend'.

Rose Gentle kon de dood van haar zoon Gordon bijna live op televisie volgen. In elk geval zag ze , nu ruim drie jaar geleden, op het tv-nieuws van die dag de beelden van het legervoertuig dat in de buurt van Basra werd opgeblazen door een bom langs de kant van de weg. Gordon was 19 jaar oud en net een maand in Irak.

'Ze komen bij je aan de deur', zegt Rose, 'om het je te vertellen. Ik had hem niet tegengehouden, toen hij ging. Ik stond zelfs achter hem. Hij wilde iets van zichzelf maken door in het leger te gaan: mecanicien worden, de wereld zien en dan uiteindelijk zijn eigen garage beginnen. Zoveel werkgelegenheid is hier niet. Een heleboel van zijn vrienden deden precies hetzelfde.'

Naar Brize Norton, de militaire vliegbasis in Oxfordshire, waar de stoffelijke overschotten van gesneuvelde soldaten traditioneel met militair vertoon uit het vliegtuig worden gedragen, gingen Rose en haar man niet. 'Alsof je twee keer een begrafenis hebt. Eén is al genoeg.'

Maar toen kwamen de verhalen. Niet van het MoD (ministerie van Defensie), maar van Gordons mates, zijn strijdmakkers bij de Royal Highland Fuseliers. Dat Gordon niet had hoeven sterven, als zijn uitmonstering maar afdoende ondoordringbaar was geweest. En dat de hele bom niet had kunnen afgaan, als de eenheid een elektronische jamming device had gebruikt, waarover zij wel beschikte, maar die zij 16 dagen in de kast had laten liggen. 'Uit luiheid en laksheid', zegt Rose Gentle. 'Twee uur na Gordons dood was dat ding wél in gebruik.'

Een onderzoekscommissie binnen het leger zou naar aanleiding van Gordon Gentle's dood betere kogelwerende lichaamsbescherming voor nek- en okselgebied aanbevelen - iets wat daarna ook is gebeurd - maar de commissie was er niet van overtuigd dat de bomexplosie zelf voorkomen had kunnen worden door welk elektronisch stoorzender-middel ook. Conclusie: in een oorlog vallen nu eenmaal onvermijdelijk slachtoffers, hoe goed je je soldaten ook toerust.

Het is een conclusie waar Rose Gentle en de Military Families against the War zich niet bij neerleggen. Gordon Gentle's dood trok zoveel aandacht dat ook elders de verhalen van families van gesneuvelde of gewonde militairen loskwamen. Niet in de laatste plaats bij de inquests, de gerechtelijke onderzoeken naar de doodsoorzaak die volgens de Engelse wet door een coroner, een lijkschouwer met gerechtelijke bevoegdheden, moet geschieden, in al die gevallen waar iemand gesneuveld is. Om praktische redenen - de nabijheid van Brize Norton waar de stoffelijke overschotten arriveerden en de overweging dat het beter was expertise op te bouwen door één coroner de onderzoeken te laten doen - zijn verreweg de meeste inquests terechtgekomen bij de coroner in Oxford. Maar alweer: geld en middelen om de capaciteit uit te breiden kreeg dit coroner's court niet, zodat onder anderen Rose Gentle nu al meer dan drie jaar wacht op de afronding van de tragedie die haar familie heeft getroffen.

'Dat is nu één van die dingen, die niet al te veel geld kosten om recht te breien', beaamt professor Holmes. 'Het is natuurlijk een schande en zoiets is nu exact een voorbeeld van een praktijk waardoor die essentiële vertrouwensband tussen de strijdkrachten en de maatschappij als geheel te lijden heeft. We kunnen niet aan de ene kant zeggen: 'we hebben het beste leger ter wereld', als we aan de andere kant niet ons best doen om het in de ogen van de maatschappij als geheel ook hoog te houden. Het kán niet, dat ouders jaren op een inquest moeten wachten.'

Bij de inquests - feiten-onderzoeken met getuigenverklaringen - die inmiddels wel zijn gehouden, heeft de openbare aanklager de overheid inmiddels een aantal keren grove verwijten gemaakt over het tekort aan middelen. In december 2006 deed de magistraat, Andrew Walker, uitspraak over de dood van sergeant Steve Roberts, een tankcommandant, die omkwam in maart 2003 in Basra. Eerst weigerde het Browning pistool waarmee Roberts probeerde op een Irakees te schieten. Vervolgens schoot een collega in de Challenger-tank, die de sergeant probeerde te beschermen, Roberts per ongeluk neer omdat hij niet wist dat het machinegeweer waarmee de tank was uitgerust, op korte afstand onnauwkeurig is. Roberts zou het hebben overleefd als hij zijn kogelvrije vest had gedragen. Maar dat had hij net tevoren uit plichtsbesef aan een ondergeschikte afgestaan, omdat er een tekort aan was.

'Om soldaten een slagveld op te sturen zonder de daartoe bestemde uitrusting is in mijn ogen onvergefelijk en onverklaarbaar en vertegenwoordigt een schending van het vertrouwen dat de militairen hebben in diegenen die het land regeren', was het oordeel van de coroner. Dat was nadat op de zitting audiotapes waren afgedraaid, waarop Sgt. Roberts klaagde tegen zijn vrouw over 'schandelijke' tekortkomingen in de uitrusting voor hem en zijn mannen. Het ministerie heeft inmiddels zijn excuses aangeboden aan de weduwe, die géén rancune voelt over de oorlog. Wel over de roekeloze wijze waarop haar man door zijn werkgever is behandeld.

En het ging niet alleen om kogelvrije vesten, zonder welke 2.200 militairen naar het slagveld bleken te zijn gestuurd. Grote ophef ontstond ook over het feit dat troepen in Irak en in Afghanistan het bij hun patrouilles moesten doen met afgeschreven Landrovers die in Noord-Ierland hadden dienst gedaan. In Afghanistan hebben de Britten behoefte aan zwaarder materieel, aan zogenoemde mpv's (mine protected vehicles). Daar liggen, na twintig jaar oorlog, naar schatting 10 miljoen mijnen op scherp. De Britse troepen in Helmand, 4.500 man sterk, beschikken over vier mpv's, hoewel de plaatselijke bevelhebbers al maanden smeken om meer. Zoals ze ook vragen om meer manschappen, meer nachtkijkers, meer warmtezoekers en meer helikopters. Amerikaanse militairen in Irak waren volgens de Britse manschappen ter plaatse per de?nitie altijd veel beter toegerust dan zij.

In Afghanistan, rapporteren sommige of?cieren, steken zelfs de militairen uit Estland en Denemarken gunstig af bij de Britten, als het om uitrusting gaat. 'Terwijl we daar vechten zoals we sinds Korea niet meer hebben hoeven vechten.'

Beroeps-optimisme

In de legerkampementen waar ik de afgelopen maanden binnen mocht komen, al dan niet bewaakt door een voorlichter van het ministerie van Defensie, heerst onveranderlijk die can do-atmosfeer die beroepsmilitairen nu eenmaal eigen is. Geen probleem dat niet verholpen kan worden en the boys zijn, als je je oren mag geloven, onveranderlijk 'up for it'. Ze willen gráág op hun grote avontuur naar Irak of Afghanistan, 'to do the job' waarvoor ze zo bloedig hebben getraind.

Maar wie zijn ogen de kost geeft en zijn oren goed gebruikt om ondertoon te signaleren, merkt dat achter dat beroepsoptimisme een andere werkelijkheid schuilgaat. Die van de families die op het kampement achterblij-

ven, idealiter gekoesterd in de omarming van het regiment en de daarbij behorende welzijnsvoorzieningen, maar in de praktijk vaak geïsoleerd van de grotere buitenwereld, bedroevend slecht gehuisvest en kampend met alle problemen die de afwezigheid van een partner met zich meebrengt.

'Als je man dan één keer uitgezonden wordt naar Irak of Afghanistan, gaat dan nog wel', zegt de vrouw van de bataljonscommandant. 'Maar als hij een tweede- of zelfs een derde keer moet en de tussenpozen waarin hij thuis is worden steeds korter, dan moeten hij en jij sterke benen hebben. Wil je huwelijk overleven.'

Een ex-of?cier van een tankregiment: 'Hoe denk je dat iemand op het strijdtoneel zich voelt, als hij weet dat zijn vrouw niet happy is? Als er iets is met de kinderen, als er financiële moeilijkheden zijn? Dáár zit hem de sleet. Soldaten doen zichzelf dat soort problemen niet telkens weer aan.'

En tenslotte is er ook nog de schande van de veelal naamlozen die beschadigd van het slagveld komen en zich door de overheid aan hun lot voelen overgelaten. Het laatste militaire hospitaal werd hier onlangs gesloten, omdat - is het verweer van het ministerie van Defensie - de hoogwaardige medische expertise die gepaard gaat met het soort (gruwelijke) verwondingen van militaire oorlogsslachtoffers beter geconcentreerd kan worden op enkele plaatsen: in de nood-hospitalen ter plekke en in Engeland, voor ernstige verwondingen, in een ziekenhuis in Birmingham. De overige (ex-)militairen kunnen gewoon aansluiten bij de burgerpatiënten van de National Health Service.

Al snel verschenen op het internet de verhalen van militairen die gewond in Birmingham waren binnengebracht en aan wie de verpleegkundige zou hebben gevraagd het uniform maar snel uit te trekken, om geen moeilijkheden te veroorzaken met medepatiënten 'die misschien anders over Irak denken' - lees: moslimpatiënten, waarvan Birmingham er een groot aantal heeft.

Het militaire hospitaal gaf de gewonden tenminste een gevoel van gelijkgestemdheid met de medepatiënten, die wisten wat ze hadden doorgemaakt. In een gewoon ziekenhuis voelen militairen zich veelal geïsoleerd en, als het tot ontslag uit het leger komt, ook in de steek gelaten.

De zorgen van het regiment - de alternatieve familie van elke soldaat - hebben uiteindelijk ten aanzien van ex-leden ook hun beperkingen. Psychische problemen liggen al helemaal buiten de horizon van de werkgever, terwijl iemand als Rose Gentle zo een aantal gevallen kan opnoemen van leeftijdsgenoten van haar Gordon, die totaal zijn ontspoord of die zelfmoord hebben gepleegd. 'Post-traumatische stress, depressie, daar was geen enkele hulp voor, wat we ook hebben geprobeerd.'

Dit is dezelfde Rose Gentle die óók zegt: 'Toen Gordon in het leger ging, was dat the proudest day of my life.' Want nóg is ook zij niet antimilitair geworden, zij het dat Military Families against the War strijden voor terugtrekking van het leger uit Irak ('wat doen we daar?'), maar even hard voor een goed functioneren van 'onze jongens', maar dan uitgerust met de middelen die ze ter plekke nodig hebben.

'De verbondenheid tussen de natie en de strijdkrachten wordt minder', vindt major general Richard Shirreff, hoofd van de Britse missie in zuidelijk Irak. 'Ik denk dat the covenant (de overeenkomst tussen de Natie, de Landmacht en elke individuele soldaat) ernstig uit balans is. De natie dient te begrijpen dat het uitstekende werk dat in Irak verricht wordt door deze dappere mannen en vrouwen alleen kan voortduren als zij behoorlijk worden ondersteund, met afdoende training, infrastructuur, kazernes en onderkomens. Dat is nu niet het geval. Hoe dat komt? Op een aantal punten ten gevolge van onvoldoende investering en relatieve verwaarlozing in politieke zin.'

Generaal Sir Mike Jackson, vorig najaar afgetreden als hoofd van de generale staf, de absolute top van het systeem, wachtte met een soortgelijke uitspraak tot zijn dienst erop zat, maar haalde toen nog feller uit dan Shirreff. Volgens hem 'verwaarloost' de regering soldaten en 'vraagt ze te veel' van de strijdkrachten. In een bijtend betoog hekelde hij de 'armoedige manier' waarop gewonden worden behandeld, de 'schandelijke' salarissen en de 'eerlijk gezegd beschamende' huisvesting waarin ze worden ondergebracht. De bonus van nog geen 3.500 euro die het ministerie van Defensie de troepen had toebedeeld, noemde Jackson 'niet bepaald een indrukwekkend bedrag' voor wat gedurende operaties wordt gepresteerd. 'Het zijn onze soldaten die de prijs betalen in bloed. De natie moet daarom de prijs betalen in treasure (in materiële zin)', aldus Jackson.

Opiumteelt

Met de ex-of?cier wiens vader, wiens grootvader, wiens broers zich nog allemaal op hun militaire rang lieten voorstaan, ook al hadden ze hun periode in het leger er al lang op zitten, zit ik in een woonkamer vol militaire memorabilia.

'Weet je wat het is?' zegt hij. 'Mijn neef heeft net dienst genomen. Vroeger zou ik hem hebben voorgehouden dat hij de meest waardevolle, de meest memorabele periode in zijn leven tegemoet gaat. En nu, nu hij naar Afghanistan gaat, kan ik die woorden niet over mijn lippen krijgen. Wat doen we daar? Vechten tegen de Talibaan? De opiumteelt verhinderen? Winnen van hearts and minds? We mogen als militairen a-politiek zijn. Maar dat betekent niet dat we geen moraliteit hebben. Of geen hersens.'

'Onderschat nooit het verlangen van beroepssoldaten om ten oorlog te trekken', zegt professor Richard Holmes. 'Als je als soldaat in een oorlog bent betrokken, dan hou je je in het algemeen niet bezig met de politieke ins en outs. Je wordt teruggeworpen op die basale onderlinge kameraadschap, die unieke sfeer waar ik altijd weer vrolijk van word als ik onder Britse soldaten ben: sigarettenpeuken, grijze koffie en pornobladen, als je begrijpt wat ik bedoel. En humor. Dat alles is nog steeds zo. Maar geen leger kan op den duur zonder steun van de bevolking waaruit het voortkomt. Het verloop van het con?ict in Irak en de perceptie daarvan bij de Britse bevolking dreigt onze strijdkrachten ter plekke het gevoel te geven dat het allemaal geen zin heeft. De Britse bevolking heeft een dubbele kijk: de meeste mensen vinden Irak een slechte oorlog, maar ze hebben - nog steeds - bewondering voor de strijdkrachten. Waar ik benauwd voor ben is hoe langer die situatie duurt, hoe groter de kans is dat die dubbele kijk verwordt tot één. Zodat je krijgt: what is the point of the Armed Forces? Waarom zouden we ons nog druk maken? Terwijl ik geloof dat we terecht in Afghanistan zijn. Maar onze missie daar wordt ondermijnd door die in Irak, die we naar onze overtuiging niet kúnnen winnen. De regering moet daarom formuleren - wat ze nu niet doet - waarom we, als onze missie in Afghanistan mislukt, dat we het als westerse strijdkracht net zo goed kunnen opgeven. De levens van moedige soldaten verdienen een samenhangend beleid. Zodat je altijd nog antwoord kunt blijven geven op de vraag van henzelf en hun nabestaanden: 'Waarvoor was het?'

Met medewerking van Floris van Straaten

Hieke Jippes is journalist in Groot-Brittannië

'Als ik zonen had, zou ik mezelf nu ernstig afvragen of ik ze in dienst moest laten gaan.'

'Ministers die zelf nooit hebben gevochten, die zijn altijd het gretigst om een oorlog aan te gaan.'

Rose Gentle kon de dood van haar zoon bijna rechtstreeks op het tv-nieuws volgen.

'We mogen als militairen a-politiek zijn. Maar dat betekent niet dat we geen moraliteit hebben.'