Student ontdekt mysterieuze radioflits van ver uit de ruimte

Als we maar voldoende radiotelescopen hadden, zouden we iedere dag honderden flitsen van radiostraling uit het heelal kunnen opvangen. Dat leiden Amerikaanse en Australische astronomen af uit de toevallige ontdekking van één zo’n flits in het zuidelijke sterrenbeeld Tucana (Toekan). Deze radioflits onderscheidt zich van zowel de flitsen die sommige kosmische bronnen heel af en toe uitzenden als van de bronnen die dat in de vorm van zeer regelmatige pulsen doen ( Science Express, 27 september).

De nieuwe radiobron werd ontdekt in het waarnemingsbestand van de 64 meter grote radiotelescoop bij Parkes, in New South Wales (Australië). Daarmee was voorheen op een golflengte van 20 centimeter het gebied van de Magelhaense Wolken – de twee meest nabije buren van het melkwegstelsel – in kaart gebracht. Toen astronomiestudent David Narkevic deze metingen nog eens nauwkeurig analyseerde, ontdekte hij dat op 24 augustus 2001 vlak bij de Kleine Magelhaense Wolk een krachtige radioflits was verschenen die slechts enkele duizendsten van een seconde had geduurd.

Verder onderzoek liet zien dat het, tenminste op deze positie, om een eenmalige flits ging. De flits was niet afkomstig van een aardse bron, maar kwam ook niet uit het melkwegstelsel of de Kleine Magelhaense Wolk. Dat kon worden afgeleid uit de dispersie van het radiosignaal: het verschijnsel dat de lagere frequenties een fractie later bij de telescoop arriveerden dan de hogere. Dit effect wordt veroorzaakt door het feit dat de voortplantingssnelheid van de radiostraling wordt beïnvloed door het geïoniseerde gas in de ruimte – net zoals zichtbaar licht dat door een glasvezel snelt.

De mate van dispersie wijst er op dat de radioflits van een bron op misschien wel meer dan een miljard lichtjaar van de aarde kwam, dus uit een ver sterrenstelsel. Dit betekent dat daar in korte tijd een enorme hoeveelheid energie moet zijn geproduceerd. Volgens de astronomen ging het misschien om de explosie van een superzware ster of de versmelting van twee superdichte neutronensterren, maar het zou ook om een vooralsnog onbekend astronomisch verschijnsel kunnen gaan. Uit het feit dat de flits toevallig in een klein stukje hemel werd ontdekt, berekenen de astronomen dat er iedere dag aan de gehele hemel ongeveer 225 van zulke flitsen zouden moeten verschijnen.

George Beekman