Prachtige jachten

1415

In het haventje van Saint-Tropez liggen veel jachten. Vroeger, in de vorige eeuw, had je daar ook de kettingknopers, beroepsduikers die een bijverdienste hadden ontdekt. Hoe ze het deden weet je niet, maar ze slaagden erin, de ankerkettingen van twee jachten met elkaar te verknopen. Het was zwaar werk, onder water, maar het bracht geld op. Als de eigenaar van zo’n jacht het anker wilde lichten, ging het mis. Dan kwam de kettingknoper die zich nu als ontknoper aandiende. Tegen een zekere beloning wilde hij om te beginnen onderzoeken wat er mis was gegaan. Nadat hij dit had ontdekt, wilde hij het probleem ook wel oplossen, tegen de volgende beloning. Zo verdienden deze energieke mensen er een centje bij. Ik heb het in de Nice Matin gelezen, de betrouwbare krant van de Côte d’Azur.

Ik beken dat ik een zwak heb voor creatieve oplichters. De man die de Eiffeltoren als oudroest wist te verkopen. De handelaars in zelfgemaakte landkaarten, die in Griekenland opereren. Op zo’n er authentiek oud uitziende kaart staat met een kruis aangegeven op welke plaats in een onherbergzame streek een schat begraven ligt. Ze hebben geen geld of tijd om dit fortuin zelf op te graven, maar ze willen je wel deze kaart verkopen. Door hebzucht overweldigd trap je erin, gaat erheen, komt in de dorpskroeg toevallig iemand tegen die je een graafwerktuig wil verkopen. Enzovoort. Oplichters leven niet van andermans goedgelovigheid. Eerst is er de felle begeerte; degene die deze aandrift koestert, beseft dat zelf misschien niet eens. De oplichter legt de grondslag voor zijn operatie door de begeerte wakker te maken. Daarna komt de goedgelovigheid vanzelf.

Ook al jaren geleden is er een psychologische studie over de oplichter verschenen, geschreven door dr. J. Zeegers, uitgegeven bij Bijleveld. Ik bewaar een citaat: „De wijze waarop deze mens in de wereld staat, met zijn zorgeloos optimisme, zijn geslepenheid, zijn infame bedriegerij, zijn macht over de slachtoffers en zijn innemende manieren, wekt onze verwondering en niet zelden onze bewondering”. En dan hebben we Thomas Mann met Die Bekentnisse des Hochstaplers Felix Krull, waarin de oplichter als zielsverwant van de kunstenaar verschijnt. En Tijl Uilenspiegel en nog een hele optocht.

Maar waar was ik gebleven? Bij de jachten in Saint-Tropez. In die oude tijden vergaapten de eenvoudige toeristen zich aan de drijvende prachtstukken. Het hoogtepunt kwam als een vijfsterrenrestaurant het diner aan boord bracht en de opvarenden op het achterdek aan de maaltijd begonnen. Op de kade stonden drommen te kijken hoe de eerste truffels naar binnen gingen. The rich are different because they have more money, zei Ernest Hemingway. Dat kon je daar goed zien.

Vorige maand is in Monaco de grote jaarlijkse jachtenshow en -beurs gehouden. Een deskundige doet verslag van zijn ervaringen. Ik las het op de voorpagina van de International Herald Tribune (2 oktober). Een jacht zonder een helikopter? Dat kán niet meer, zegt de kop in mijn vertaling. In het Engels: No way. Massimo Vilardi, lid van de directie van Eurocopters, is speciaal naar Monaco gekomen om zijn vliegtuigjes te verkopen. Kleine, handige coptertjes om mee van het jacht naar de wal te vliegen en vice versa. En kleine tweepersoons onderzeebootjes, die je meeneemt aan boord van je jacht, raken ook steeds meer in. Tot vijftig meter onder de zeespiegel kun je er mee varen; daarna is er geen daglicht meer.

In dit artikel vol wetenswaardigheden komt ook Olivier Milliex, hoofd van de afdeling jachtfinanciering van de ING Bank aan het woord: „Tegenwoordig is een megajacht onmisbaar. Het is niet meer als vijftien jaar geleden, toen zo’n schip nog als een luxe werd beschouwd”. En er is een nieuwe trend, net als in de kleding. De belangstelling voor het confectiejacht taant. Steeds meer mensen willen hun jacht persoonlijk krijgen aangemeten. En dan is het natuurlijk de vraag hoeveel dat kost. Voor 29 miljoen dollar heb je al een heel aardig vijftigmeter jacht. In dit artikel staat nog veel meer interessants. Dat ga ik niet overschrijven.

Als je dit allemaal leest, dringt zich vanzelf eerst de moralistische vraag op. Hebben die mensen nooit van alle ellende in de wereld gehoord? Hoe kunnen ze in hun duikbootje vijftig meter onder water gaan als in Afrika, enzovoort. Op die vraag krijg je nooit antwoord. Dat is, wat W.F. Hermans genoemd heeft ‘het wonder van de gelijktijdigheid’. Als je aan alles tegelijk moest denken, aangenomen dat het brein daartoe in staat zou zijn, kreeg je nooit meer een hap door je keel.

Er is een ander probleem. Wat doen die mensen op hun jacht? Je kunt niet de godganse dag in je duikbootje zitten of met je helikopter heen en weer vliegen. Een jacht heeft een beperkte ruimte. Je moet ermee varen, en dan kan je er niet meer af. De zee is voornamelijk veel water, zoals een klein kind zei toen hij voor het eerst aan het strand stond. Eén keer in mijn leven mocht ik mee op een jacht. Varen is mooi, maar niet langer dan een uur. Daarna is het meer van hetzelfde. En dan: voor zo’n jacht heb je een bemanning nodig, voor een helikopter een piloot. Voortdurend ben je omringd door personeel. ‘Ik wens u veel personeel’ is een joodse uitdrukking, aan het adres van mensen die je minder aardig vindt. Voor mij geen jacht.