Ongewenst of duivelskind

a.j. verheugt – moordouders. een klinisch en forensisch psychologische studie naar de persoon van de kinderdoder – van gorcum, assen, 252 blz. universiteit van tilburg, 21 september 2007. promotor: prof.dr. t.i. oei

Ruim tien jaar geleden promoveerde Frans Koenraadt op een proefschrift over ouderdoding, nu gaat het over ouders die hun kinderen doden. Dat komt gelukkig niet veel voor, al denken veel mensen dat wel. Ook dat het meer en steeds erger wordt. De grote publiciteit over enkele bijzondere gevallen (‘het meisje van Nulde’, ‘Savannah’ ) en ook de in relatief korte tijd herhaalde confrontatie met gezinsmoord roept onvermijdelijk toch het gevoel op dat veel kinderen gevaar lopen. Als het gaat om kindermishandeling is dat zeker waar, per jaar zijn daar meer dan 100.000 kinderen het slachtoffer van, maar voor moord geldt dat toch niet. In Nederland gaat het om 12 tot 16 kinderen per jaar tot de leeftijd van ongeveer 12 jaar. Tussen nul en twaalf jaar zijn er twee miljoen kinderen in Nederland.

Niet alle gevallen van moord of doodslag worden bekend. Uit internationaal onderzoek blijkt dat de meeste gevallen nooit bij politie en justitie bekend worden. Voor Nederland zou dat kunnen gaan om enkele tientallen kinderen per jaar. Lang niet altijd is er reden om te vermoeden dat het kind een niet natuurlijke dood is gestorven en als het gaat om pasgeborenen, is het bij anderen meestal niet eens bekend dat er een kind is. Er wordt al langer voor gepleit bij de dood van een kind altijd een onderzoek in te laten stellen om zeker te zijn dat er geen misdrijf heeft plaatsgevonden.

Toon Verheugt werkte als klinisch psycholoog in de kinderpsychiatrie, deed de psychoanalytische opleiding en werkt inmiddels alweer vele jaren in de forensische psychiatrie. Dat is het gebied waar bekeken wordt of de delinquent ook psychiatrisch patiënt en wel of niet toerekeningsvatbaar is. Ook de TBS-klinieken zijn deel van de forensische psychiatrie, maar het proefschrift is niet gebaseerd op bijvoorbeeld behandelingsverslagen uit de klinieken. Het onderzoeksmateriaal bestaat uit de gegevens die door het Openbaar Ministerie tussen 1994 en 2003 zijn vastgelegd over de verdachten van (eigen) kindermoord c.q. doodslag of dood door schuld. De zoektocht naar de relevante dossiers leidde onbedoeld in ieder geval al tot de conclusie dat wel erg veel – meer dan een kwart – dossiers weg of onvindbaar waren. Uiteindelijk bleef een groep van 136 verdachten over, waarvan er 54 waren met een verslag van een onderzoek naar hun psychische toestand en hun oordeelsvermogen. Die groep is in het onderzoek opgenomen.

Het zijn in twee op de drie gevallen vrouwen die van kinderdoding verdacht worden, vaak nog heel jong. Vrouwen die hun kind meteen na de geboorte doden, zijn bijna nog meisjes, gemiddeld 22 jaar oud. Ze zijn relatief laag opgeleid en meestal nog zonder vaste partner. Niemand van hen is gehuwd, tegenover 69% van de vrouwen die hun kind (vooral jongens zijn het slachtoffer) in het eerste jaar van zijn leven ombrengen. Bij de wat oudere kinderen is het in meer dan de helft van de gevallen de vader of in ieder geval de mannelijke partner die het misdrijf pleegt. Opvallend maar niet helemaal onverwacht is dat twee van de drie kinderdoders in hun jeugd zelf mishandeld zijn en dat één op de vijf in een kindertehuis heeft gezeten. Psychische stoornissen en persoonlijkheidsstoornissen komen bij vrijwel alle daders voor en bijna allemaal hebben ze in hun vroege jeugd geen kans gehad zich veilig aan hun eigen ouders te hechten. Niettemin is het vrijwel onmogelijk het profiel van de kinderdoder zo specifiek te maken, dat het gevaar tijdig onderkend kan worden. Zeker als het een meisje betreft, dat er in slaagt de zwangerschap verborgen te houden , wordt het natuurlijk helemaal moeilijk er op tijd bij te zijn.

Waarom doodt iemand zijn eigen kind? Moeders blijken dat te doen omdat het kind ongewenst is, ze niet weten hoe ze het zelf groot moeten brengen of bijvoorbeeld stemmen horen die hen vertellen dat ze een duivelskind hebben voortgebracht. Mannen blijken nogal eens veel te ruw en te hard te straffen, maar doden ook uit wraak of uit wanhoop omdat ze niet weten hoe het verder moet. Vrouwen verstikken het kind vooral, mannen zijn meer geneigd te wurgen of een wapen te gebruiken. Een op de drie mannelijke kinderdoders is ook al eerder met justitie in aanraking geweest. Mannen worden gemiddeld ook veel zwaarder gestraft dan vrouwen. Als het tot een veroordeling komt, krijgen ze gemiddeld een gevangenisstraf van bijna zesenhalf jaar, vrouwen gemiddeld ruim anderhalf jaar.

Het onderzoek van Verheugt is heel zakelijk en kwantificerend opgezet. Hij geeft geen gevalsbeschrijvingen, maar probeert de hardere feiten uit de dossiers het verhaal te laten doen, met een vergelijkbare groep van partnerdoders als controle. Erg nodig was dat laatste niet, naar mijn idee, al toont het nog eens aan dat de kinderdoders in het algemeen erg jong (de jongste was 16 jaar) en meestal vrouw zijn. Psychische problematiek is bij de partnerdoders veel minder vaak aanwezig, mishandeling van de ander des te meer. Het kwantitatieve onderzoek wordt vooraf gegaan door een uitvoerige studie van de internationale onderzoeksliteratuur, maar ook door een overzicht van wat er uit de geschiedenis en de culturele antropologie bekend is. Als psychoanalyticus gaat Verheugt ook in op de bijzondere en vaak prominente plaats van kinderdoding in de mythologie (Medea, Abraham en Isaac) en de literatuur. Kinderdoding blijkt een huiveringwekkend, maar ook fascinerend verschijnsel te zijn, waarin de ambivalentie van ouders ten opzichte van hun eigen kinderen scherp tot uitdrukking komt. Liefde, betrokkenheid en zorgzaamheid overheersen, maar soms krijgen angst, schaamte, woede of jaloezie de overhand. In andere tijden en armere samenlevingen soms ook de zorg over het eigen overleven, of de kans op succesvol overleven van het kind zelf. Over dat laatste gaat het boek Mother Nature van de Amerikaanse antropoloog en primatoloog Sarah Blaffer Hrdy, die Verheugt overigens niet noemt. Hrdy wijst erop dat door de noodzaak tot intensieve opvoeding bij mensen de moeder zeker onder slechte omstandigheden een oordeel moet vellen, bewust of onbewust: ‘Zal ik veel in deze baby investeren of niet? En als ik me beperk, hoever ga ik dan?’

Minder biologie, maar meer psychoanalyse klinkt ook door in de ambivalentie van de titel. Over ‘moordouders’ spreken kinderen als ze heel goede en leuke ouders hebben, voor wie ze alles zouden doen, ook een moord plegen. Bij wijze van spreken dan. Over de echte ‘moordouders’ komen we in dit proefschrift veel te weten. Het zijn er gelukkig maar weinig.