Oh, go away, you!

De toon - ach ja, de toon: wanneer ik tegenwoordig een half oog over de opiniepagina’s van de kranten laat gaan, moet ik steeds denken aan een anekdote over Margot Asquith, de bazige vrouw van de liberale Britse minister-president uit de vorige eeuw, die de gewoonte had om de politieke opvattingen van haar man te verspreiden in Engelse treincoupés. Ze kocht dan speciaal een tweede (of derde) klas kaartje, posteerde zich onopvallend in een hoekje tussen de gewone mensen, maar zodra de trein op stoom was, verhief ze haar flinke boezem en begon te oreren. Op een dag ging het mis: toen ze overeind kwam en weer van wal wilde steken (,,Now, my husband*’’) stond er een struise boerenvrouw op die met kippen van de markt kwam. Onder het uitroepen van ,,Oh, go away, you!’’ gaf ze Asquith een harde duw, die beduusd en sprakeloos terug in de kussens plofte.

Het comité van ex-moslims, het steuncomité voor het comité, de ex-leden van het steuncomité, de onzinnige discussie over de Koran, die al snel een nog onzinniger discussie over Mein Kampf werd, het WRR-rapport, de reacties op het WRR-rapport - in mij, heb ik gemerkt, huist sinds kort een struise boerenvrouw met flinke knuisten.

Oh, go away, you.

Want dat is erger dan de gesmade toonhoogte: het integratiedebat valt niet meer echt serieus te nemen. De grote discrepantie tussen de kwesties waar Nederland mee worstelt, en het niveau waarop erover gedebatteerd wordt, zorgt ervoor dat steeds meer mensen vallen voor het infantiele discours van Geert Wilders of domweg hun schouders ophalen en afhaken. Discussies op televisie en op de opiniepagina beginnen met grote woorden als moderniteit en verlichting en eindigen steevast als een geniepige en in laatste instantie onbegrijpelijke burenruzie. Het begint met de kwestie van afvalligheid onder moslims, het eindigt met de zoveelste slalom van Joost Zwagerman. Het wordt verkocht als een choc d’opinions - maar vrijwel altijd blijkt het te gaan om een afrekening binnen het milieu. En nooit komt er eens een echte moslim in voor.

Ik vrees dan ook niet dat Nederlandse moslims door de toon van het debat zich massaal en radicaal van de samenleving zullen afkeren. Ik vrees een verpletterende onverschilligheid.

Die afvallige moslims zijn trouwens alweer naar de achtergrond verdwenen. We richten ons opnieuw op de heilige graal van het integratiedebat: de Nederlandse identiteit. Daar is de afgelopen jaren heel veel over gezegd - en dat gaat de komende weken allemaal weer opnieuw gezegd worden.

Ik vat even samen: één partij is ervan overtuigd dat de Nederlandse samenleving een beschaafd, verlicht en coherent geheel vormt, dat gedestabiliseerd dreigt de worden door een grote groep nieuwkomers met wezenlijk andere cultureel-religieuze overtuigingen. Niks tegemoetkomen, luidt de oproep van die kant, aanpassen! Pas dan kan het weer goed komen met Nederland. Die groep blijft hameren op misstanden die onze gelijkmatige Nederlandse samenleving dreigen te ontwrichten: bedreigingen, achterlijkheid, radicalisme. Dat hameren is inmiddels een beetje manisch geworden, hun argumenten een volautomatische mantra. Vraag zo’n Hollandse neoconservatief of hij suiker in zijn thee wil en hij begint over het schandaal van de vrouwenbesnijdenis.

De andere partij heeft ook een mantra: de Nederlandse identiteit bestaat niet. We bestaan allemaal uit meerdere identiteiten - je bent lid van de hockeyclub en gereformeerd, postzegelverzamelaar en liberaal en ook nog eens Nederlander - en het is een kwalijke zaak om allochtonen van de derde generatie te dwingen om Michiel de Ruyter als nationale held in hun armen te sluiten. Het hele idee van identiteit wordt gerelativeerd - wat in de ogen van hun tegenstanders niets anders is dan naïef relativisme.

De strijd tussen twee kampen is een onzinnige, omdat hij is gebaseerd op valse tegenstellingen. De pleitbezorgers van het idee van vastomlijnde Nederlandse identiteit willen maar niet beseffen dat die plotselinge hang naar eigenheid juist wordt opgeroepen door het proces van globalisering en immigratie. Het is geen zelfbewustzijn, het is een angstige reactie. Hun angst is de angst om overgenomen te worden - of weggevaagd. Vandaar dat ineens naarstig wordt gezocht naar wat Nederland nu ook alweer Nederland maakte. Daarbij wordt grove versimpeling niet uit de weg gegaan - men doet voorkomen of men weet wat Nederland is en moet zijn, terwijl die driftige zoektocht naar een nationale identiteit juist voortkomt uit vertwijfeling. Wat Nederland wil zijn moet opnieuw gedefinieerd worden; eindeloos verontwaardigd doen over vrouwenbesnijdenis of de boerka kan ook een manier van wegkijken worden.

Het andere, eveneens verlichte kamp, onderschat de blijvende behoefte aan eigenheid, het verlangen om een kleine houdbare wereld te vestigen in een grote, onoverzichtelijke wereld. In mijn essay Onredelijkheid heb ik geprobeerd te laten zien hoe wankel het opgehemelde kosmopolitisme is: wanneer mensen zich onzeker en bedreigd voelen, gaan ze onherroepelijk op zoek naar een thuis. Wie die al te menselijke neiging onderschat of ontkent, krijgt op een gegeven moment de rekening gepresenteerd - in Nederland heette die rekening eerst Leefbaar Nederland, toen de Lijst Pim Fortuyn en nu de Partij voor de Vrijheid, een drietrapsraket van politieke verharding.

Identiteit is namelijk een gevaarlijk vloeibaar begrip, waar je zelf verrassend weinig greep op hebt. Zet een liberale jood die kritiek heeft op de Israëlische regering, naast een radicale moslim - en hij is ineens heel anders joods. Zet mij tussen Gerard Joling en een ouderwetse homofoob en ik raak spontaan in een identiteitscrisis. Wat je zelf als jouw identiteit beschouwt, is akelig wankel en wordt bovendien - dat is het pijnlijke - grotendeels door anderen bepaald.

Alle vragen die nog niet eens zo heel lang geleden afdoende beantwoord leken, liggen weer op tafel. Hoe verhouden we ons tot elkaar? Waaruit bestaat een gemeenschap? Wat is een individu de samenleving verschuldigd - en andersom - wat is een samenleving een individu verschuldigd?

In plaats van ons voor de zoveelste keer te verliezen in een heilloze cultuurkamp - die er ongetwijfeld mee zal eindigen dat de ene columnist weer excuses eist van de ander - lijkt het me zinvoller te erkennen dat het oude Nederland niet meer bestaat. En eveneens dat er een grote, oprechte behoefte bestaat aan een idee van Nederland. Hoe gaat dat nieuwe Nederland eruitzien? Daar gaat het om. Dat is het debat.