Kleine strandlopers zijn kampioen in het isoleren van hun nest

Kleine strandloper aan het Noordzeestrand. De vogels broeden in het poolgebied, maar zijn gevoelig voor kou. Ze maken een extra geïsoleerd nest. foto nhpa kleine strandloper LITTLE STINT Calidris minuta during migration in Autumn Holland Photographer: ALAN WILLIAMS Resolution: Very High Type: JPEG Download size: 10.3 MB Uncompressed: 33.1 MB Pixels: 4200x2754 Print size 300dpi: 14.00" x 9.18" / 35.56cm 23.32cm Availability: downloadable Resolution: High Type: JPEG Download size: 2.2 MB Uncompressed: 11.7 MB Pixels: 2500x1639 Print size 300dpi: 8.33" x 5.46" / 21.17cm 13.88cm Availability: downloadable WILLIAMS, ALAN

Kleine strandlopers zijn veel gevoeliger voor kou dan andere steltlopers die in het poolgebied broeden. Daarom broeden ze later en isoleren ze hun nest beter.

Dat heeft Ingrid Tulp vastgesteld tijdens drie zomers in Noord-Siberië. Tulp is bioloog bij onderzoeksinstituut Imares en promoveerde gisteren in Groningen.

Kleine strandlopers (Calidris minuta) overwinteren in tropisch Afrika en broeden boven de poolcirkel in Siberië. Ze bleken daar anderhalve week later aan te komen dan bonte en drieteenstrandlopers, steenlopers, bontbek- en goudplevieren.

Voor hun vliegreis naar het noorden wegen kleine strandlopers gemiddeld 35, bij aankomst 25 gram, minder dan een mus. Hun kleine lijfje maakt kleine strandlopers gevoeliger voor kou dan andere, zwaardere steltlopers. Bij aankomst hebben ze nauwelijks reserves en moeten ze veel insecten eten. Die zijn er in het begin van de poolzomer weinig, terwijl broeden veel energie vergt.

Kleine strandlopers verdelen de broedzorg over twee legsels. Het eerste legsel is voor het mannetje, terwijl het vrouwtje een paar honderd kilometer doorvliegt en daar haar tweede viertal eieren legt en bebroedt. Een vogel die alleen voor het nest zorgt, moet soms van het nest af om te eten. Dan koelen de eieren af. Als er meer voedsel is, lijden de eieren minder onder eetpauzes. Daarom is het voor de alleen broedende kleine strandlopers handig wat later in het broedgebied te komen. Ook andere soorten die weliswaar geen twee legsels produceren, maar die wel alleen broeden, zoals krombek- en gestreepte strandlopers, arriveren later dan de soorten die de broedzorg delen.

Het is de vraag of hun latere aankomst in hun voordeel blijft. De voedselpiek in Noord-Siberië valt gemiddeld namelijk een week vroeger dan dertig jaar geleden. Waarschijnlijk kunnen de broedvogels die vervroeging niet bijbenen. Bij vertrek uit Afrika weten ze niet hoe het op de toendra is. Hun vertrektijd wordt grotendeels geregeld door een interne klok, die ze niet zomaar kunnen verzetten.

Tijdens het broeden houden vogels hun eieren op een graad of veertig. Alle door Tulp onderzochte vogels broeden op de grond en isoleren hun nest met blaadjes, grassprieten en korstmossen. Alleen-broeders bekleden hun nestkuiltje met een iets dikkere laag dan samen-broeders. De kleine strandloper moet daarnaast ook nog voor zijn kleine lijf en de kleine eieren compenseren en spant de kroon. Deze soort broedt in een relatief diep, kogelrond kuiltje waarin hij een drie centimeter dikke laag rangschikt, uitsluitend van dwergwilgenblaadjes. Alle andere soorten hebben voldoende aan anderhalf tot twee centimeter en gebruiken naast wilgenblaadjes ook minder isolerend gras en korstmos. Koos Dijksterhuis