‘Kijk, daar heb ik het voor gedaan’

Architect Cees Dam vierde zondag zijn 75e verjaardag in het Amsterdamse Muziektheater dat hij zelf heeft ontworpen. Hij heeft twee kinderen: Janiek en Diederik. Zijn vrouw Josephine overleed in 2005. „Ik ben er toch soms wat onzeker over of dat feest wel een goed idee is.”

Cees Dam

Vrijdag 28 september

Nog nooit heb ik een dagboek bijgehouden. Mijn belevenissen noteer ik vooral in tekeningen op allerlei formaat. Maar ik doe mijn best.

’s Morgens sta ik meestal vroeg op. Mocht ik dat vergeten, dan zijn er nog twee golden retrievers. Ik geef ze eten en laat ze eerst maar even in de tuin. Ik lees de kranten en maak me langzaam gereed om te vertrekken. Ondertussen is Dennis gearriveerd. Hij zorgt voor het huis, regelt veel en kan heerlijk bouillon maken. Zijn spinazietaartjes zijn niet te versmaden. We drinken koffie samen met de anderen die voor het huishouden en de tuin zorgen, zoals Simone en mevrouw Kinkelaar. De laatste strijkt al 35 jaar de hemden enzovoort.

Als Patrick is gearriveerd, brengt hij me naar bureau. Het bureau is in Amsterdam, bij het confectiecentrum. Wij werken daar, mijn zoon Diederik en ik, met zo’n zestig man (en vrouw). Het is een groot kantoor in een voormalig confectiegebouw met hoge ruimten, waar het plezierig werken is. We hebben er onder andere een maquettewerkplaats, een restaurant en prachtige bibliotheek, belangrijk voor het gemeenschappelijk geheugen.

De bibliotheek is een heerlijk rustige ruimte, ook een heel geschikte plek om samen opdrachten te analyseren en na te denken over mogelijke oplossingen. Zodra er schetsen zijn, worden vrijwel direct studiemaquettes gemaakt. Om inhoud en vorm te bepalen, of om te zien wat er niét klopt. Volgens mij moet je altijd iets bedenken wat niet helemaal perfect is. Rietveld zei tegen me: „Het klopt nooit, het is nooit volmaakt of af.”

Nadat ik de stapel brieven, faxen en e-mails heb gefileerd, kijk ik met Diederik naar een plan voor een prachtige Zeeuwse vissersplaats. De locatie ligt buitendijks. Het is een behoorlijke opgave om het bestaande, binnendijkse gebied niet te vervreemden van het nieuwe. Naast woongebouwen, een museum, een werf voor boten en een hotel kent het plan een grote buitenruimte. Over het algemeen zijn mensen geneigd vooral te kijken naar gebouwen, maar de grote buitenruimte is in dit plan veel belangrijker.

Het is mode geworden om gebouwen ‘iconen’ te laten zijn. Het ene gebouw maakt nog meer lawaai dan het andere. Dit soort architectuur schreeuwt als het ware om aandacht: ‘Hier ben ik, kijk mij eens!’. Deze manier van denken en ontwerpen doet afbreuk aan de gehele situatie. Het is misschien niet zo zwart-wit als ik het beschrijf, want er zijn natuurlijk uitzonderingen. Kijk eens naar de Beurs van Berlage.

Terwijl we samen met een paar architecten aan het plan werken, komt Harm enthousiast vertellen dat de boeken eindelijk zijn gearriveerd. Ik blader door het boek en vind het, na er zoveel jaren met Karin Evers aan te hebben gewerkt, erg goed. En dan is er champagne: eerst voor een klein gezelschap, maar al spoedig schuift het hele bureau aan. Een onverwacht feestje.

Zaterdag

Deze dag staat redelijk in het perspectief van het feest van morgen. Ik ben er toch soms wat onzeker over of dat feest wel een goed idee is. Maar dan denk ik: ‘Vooruit, 75 jaar is toch ook een mijlpaal’. En een gelegenheid om te laten zien dat ik er nog ben, want zonder Josephine is het niet eenvoudig. Bovendien vinden de kinderen Janiek en Diederik het een uitstekend idee.

Er wordt veel aangebeld door mannen met bloemen en flessen, met drank denk ik. Ik ben nog in pyjama, waardoor een dezer heren belangstellend naar mijn gezondheid informeert. Ik stel hem gerust en zeg dat ik reserves opbouw. Hij kijkt me over de bloemen aan en zegt: ‘Dat is een goed idee.’

Aan het einde van de middag ga ik naar Yvette, de vrouw van Diederik, die jarig is. Ik ga naar huis en dan belt uit Brabant mijn enige nog op deze aardbol aanwezige, oudere zusje Willemien op: ze komt graag naar het feest. Daar ben ik ontzettend blij om. Ik bel Angelika, onze rechterhand, op om verslag te doen van het prachtige boek dat er zonder haar en Jan niet zou zijn.

Zondag

Vandaag wordt de verjaardag gevierd. De voorbereidingen zijn bijna gedaan. Nog even contact met Hans Liberg die vanavond op zal treden, en zijn vrouw Marliz Frencken die prachtige beelden maakt. De bloemversieringen worden vandaag nog door Jasmijn uit Haarlem naar het Muziektheater gebracht en ter plaatse opgemaakt. De taarten van Kuijt worden straks in etages opgebouwd. Ze lijken op gebouwen: héél modern met steeds kleiner wordende etages. Alles in het wit!

Het is toch heel bijzonder om zo’n feest in een door jezelf ontworpen gebouw te mogen geven. Ik herinner me nog dat ik met mijn oudste kleinkind Piri naar een balletvoorstelling ging. Ze was denk ik vijf of zes jaar. In een witte jurk met zwarte lakschoentjes. Toen ze daar aan mijn hand de grote trap opging, dacht ik: ‘Kijk, daar heb ik het voor gedaan’.

Ik moet nog wat sleutelen aan de kleine speech die ik wil houden. Moet ik Josephine nou duidelijk noemen, of begrijpt iedereen het wel. Na overleg met Janiek en Diederik vind ik een mooie tussenweg. Ik ben toch wat nerveus als ik me in mijn smoking hijs. Nou, vooruit maar.

Via het doolhof van gangen en technische ruimten van het theater kom ik in de foyer. Ik zie Janiek en Yvette die door Mart Visser prachtig zijn gekleed. We zijn als familie klaar om te ontvangen. Stipt zeven uur doet de chef de deuren open en wat er dan gebeurt is niet te beschrijven. Een golf van mannen en vrouwen in de prachtigste outfits komt het theater binnen, iedereen in een stralend humeur. Ik word gekust, ik schud vele handen. Ik houd het vol en probeer voor iedereen het goede of juiste woord te vinden. Dan word ik weggehaald om met Diederik, Peter Jägers, Directeur-Generaal van de Rijksgebouwendienst en Nick Steenkamp, Chef Kabinet van de minister van VROM, naar de coulissen te worden gebracht. Nick Steenkamp heeft een klein blauw koffertje bij zich en ik ruik lont. Wat doen deze heren hier?

Diederik gaat het toneel op en spoort het gezelschap aan om ‘Lang zal ‘ie leven’ te zingen. Ik krijg een duwtje en daar sta je dan, op het toneel. Als het stil is, bedank ik ze allemaal dat ze zijn gekomen. Ik zeg dat het vak van architect een ‘elder man’s profession’ wordt genoemd en dat ik zin heb om met veel vaart en plezier verder te gaan. De onuitputtelijke en onvoorwaardelijke liefde en aandacht van mijn familie – in het bijzonder Janiek en Diederik – zijn en blijven hierbij een grote bron van energie. Dan zeg ik nog dat iedereen bij het naar huis gaan een boek meekrijgt. Als je jarig bent, vind ik, gééf je een cadeau.

Dan wil ik weg, maar Diederik weerhoudt mij en Peter Jägers spreekt een lofrede uit die eindigt met: ‘Het heeft Hare Majesteit behaagd…’ etcetera en het lint van Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw wordt me opgespeld! Tijd voor de fantastische voorstelling van Hans. Daarna is het feest, met taart en bitterballen. Ik loop rond en begroet eenieder.

Maandag

Wanneer ik opsta en met een wat slaperig hoofd de tafel zie die bezaaid is met pakjes en andere zaken, bekruipt me een soort Sinterklaasgevoel. Ik begin eerst met de brieven. Een vriendin, Hens, schrijft dat we alles al hebben wat ons hartje begeert en biedt aan een taart te bakken. Even bellen.

Als de post komt is er van de ABN AMRO bank een brief voor Josephine. Hoe bestaat het, nadat je zoveel met elkaar naar behoren hebt geregeld. Ik denk dat ze daar andere zaken aan hun hoofd hebben. Wat zou Josephine er zelf van vinden? Ik heb het gevoel dat ze heel dichtbij is. Tegen de kleinkinderen heb ik gezegd dat nanna – Josephine – nu een engel is die tussen hemel en aarde zweeft. Soms komt ze langs, aait over je hoofd en kijkt of het wel goed met je gaat.

Ik besluit eerst naar het graf te gaan, voordat ik naar bureau ga om de draad weer op te pakken. De begraafplaats in Bloemendaal is als een kathedraal. Hoge boomstammen met een gewelf van bladeren. Ik tekende het graf zelf. Het is floating, een beetje ‘zwevend’ boven de aarde. Ze ligt met haar gezicht naar de zon. Ik vertel haar wat er gebeurd is en vraag of ze het goed vindt. Haar antwoord is de zon die even door de wolken breekt en de wind die de bladeren van het graf blaast.

Dinsdag

Op het bureau overleggen we over een toren in Rotterdam. We bouwen al de Maastoren, dat vooralsnog het hoogste gebouw van Nederland wordt. De andere toren wordt nog hoger en de opdrachtgever en de Welstand hebben gevraagd om een specifieke ‘top’. Ik vind de top redelijk goed, maar we gaan toch kijken en modellen maken om te zien wat er kan. Het is in het ontwerpproces altijd oppassen geblazen dat er bij veranderingen niets blijft hangen wat bij een eerdere oplossing hoort. Een goede analyse blijft noodzakelijk.

Er is een overleg met een redacteur van Pauw en Witteman. Zij interviewt mij en het verbaast me hoeveel zij van ons weet. Ze is uitstekend geïnformeerd. In principe gaat het vanavond over het boek, maar ze vraagt of ik ook ontwerpschetsen wil meenemen. Kleine schetsjes op allerlei papier, servetjes, kotszakjes uit het vliegtuig, omdat die zo helder aangeven wat het concept is. Ook willen ze het ontwerp zien dat kunstenaar Christo maakte van een ingepakt Stadhuis-Muziektheater. Dat kreeg ik van Josephine op mijn verjaardag. Ze zei: ‘Nu is het over met de Stopera. Hij is ingepakt. Een strik eromheen en in de kast ermee.’ En dat werd ook hoog tijd.

Woensdag

Nadat ik door Ruud de sportmasseur onder handen ben genomen spreek ik een vriend die op het verjaardagsfeest was. Hij had een smoking gehuurd die nogal aan de ruime kant was en waarin hij zich niet geheel gelukkig voelde. Zeker toen een andere gast bij hem wijn bestelde, in de veronderstelling dat hij de ober was.

Donderdag 4 oktober

Naar de officiële opening van ons gebouw voor de studentenhuisvesting De Eenhoorn in Amsterdam door wethouder Herrema. Het gebouw telt 325 studentenwoningen en het is ontworpen als een campuscomplex met bijbehorende voorzieningen rond een ruim, sfeervol binnenhof. Er zijn veel studenten en er wordt mooi gesproken. De wethouder laat met een kraan een wat eenvoudig boompje in de binnenhof zakken. We staan er met zijn allen omheen, gewapend met een glas champagne. Als de boom de grond raakt, roepen we ‘Proost!’. We bezichtigen nog wat kamers en iedereen verbaast zich over de kwaliteit van de woonruimten. Het is een goed gevoel dat iedereen tevreden is. Ik ben zelf veel kleiner begonnen.