Jonge jaren gaan nooit weg

Op hoge leeftijd worden mensen vergeetachtig, maar jeugdherinneringen keren juist heel levendig terug. Een onderzoek naar reminiscenties. Douwe Draaisma

Je zegt iemand niet gemakkelijk in zijn gezicht dat hij oud is. Oud zijn anderen, ook al zijn het leeftijdgenoten. En als je over iemand zegt dat hij oud is, dan is dat onveranderlijk wegens een gebrek of tekortkoming. Iemand wordt slecht ter been, kan niet meer zo goed tegen drukte, je kunt zien dat hij een dagje ouder wordt. Wat je werkelijk nooit iemand zult horen zeggen, is iets als: ‘Hij zei vanavond zulke wijze dingen, hij begint echt oud te worden.’ Er mogen handenvol spreuken zijn over de wijsheid van de ouderdom en het verstand dat met de jaren komt, in de kille realiteit van ons taalgebruik geven we aan dat er toch iets niet helemaal in orde is met oud zijn.

In seniorenbladen crosst de ouderdom op een mountainbike door de duinen van Schoorl, maar in onze taal over de derde leeftijd – om een van de bedenkelijk talrijke eufemismen te nemen – volgen we nog vrij nauwkeurig het beeld van de ouderdom zoals dat in de zeventiende eeuw op elke ‘trap des levens’ stond geschilderd: de jeugd en volwassenheid als een periode van kleur en afwisseling, gevolgd door wat in essentie een afdaling is, in grauwe kleding, met al spoedig een wandelstok en later krukken, een gang van gebrek en verlies, tot een grijze Elkerlyc die zich ziek en moe te ruste legt.

Onder dit klimmen en dalen kun je een interpretatie van de levensloop tekenen die in de ontwikkelingspsychologie bekend staat als de ‘parabolische opvatting’. De tijd tussen baby en adolescentie geeft een expansie en verfijning van mentale en cognitieve vaardigheden te zien, die curve bereikt een optimum en daarna beginnen diezelfde vaardigheden, elk in hun eigen tempo, weer achteruit te gaan en te desintegreren.

De parabolische opvatting is – helaas – niet helemaal onwaar. Om het even tot de geheugenfuncties te beperken: het wordt moeilijker op namen te komen, het wordt moeilijker je voornemens te onthouden (‘Ik moet zometeen niet vergeten om…’), het wordt moeilijker dingen uit het hoofd te leren. Dit zijn geheugenklachten die in iedere enquête onder ouderen opduiken en het is onzin ze niet als een vorm van achteruitgang te zien.

Maar in een geheugen dat op leeftijd raakt doet zich ook een verschijnsel voor dat werkelijk nieuw is. Het kan niet gezien worden als de in verval geraakte versie van een ooit intacte vaardigheid. Het is daarmee een barmhartige relativering van de parabolische opvatting.

‘Toen ik tegen de zestig liep,’ vertelde de Amerikaanse neuroloog Oliver Sacks in een terugblik op het schrijven van zijn autobiografie Oom Wolfraam, ‘begon ik een curieus verschijnsel te ervaren – het spontaan, ongevraagd naar boven komen van vroege herinneringen, herinneringen die langer dan vijftig jaar hadden gesluimerd. En niet alleen herinneringen, maar hele geestesgesteldheden, ideeën, sferen, en de passies die daarmee geassocieerd waren – herinneringen, vooral, aan mijn jongensjaren.’

permastore

Zo moeten reminiscenties aanvoelen, ongeboden, ongezocht, en tegelijkertijd zo volledig en intact dat het lijkt alsof ze ongerept tevoorschijn zijn gekomen uit een laag die nu pas, in de ouderdom, weer ontdooit. Voor de zeer langdurige opslag in het geheugen is wel de term permastore voorgesteld, het is een metafoor die recht doet aan de beleving dat wat heel lang ontoegankelijk en roerloos lag opgesloten nu weer vrij lijkt te komen met de geuren van destijds. Het kan iemand het gevoel geven dat hij in zijn leven een cirkel heeft beschreven en nu in de ouderdom dichter bij zijn jeugd is dan toen hij veertig of vijftig was.

Experimenteel onderzoek naar dit ‘reminiscentie-effect’ maakt vaak gebruik van cue-woorden. Proefpersonen krijgen een woord voorgelegd – zeg: kerk – en vertellen een herinnering die door dat woord wordt opgeroepen. Naderhand probeert men de herinnering te dateren. Wie dit experiment met ouderen doet en het aantal gereproduceerde herinneringen uitzet in leeftijd krijgt een karakteristieke curve. [Zie grafiek met curves van 80- en 100-jarigen]

De eerste paar jaren blijven leeg: eerste herinneringen dateren meestal van na je derde. Daarna loopt de curve steil op, bereikt een top rond het twintigste levensjaar, zakt daarna terug, vlakt af en vertoont alleen helemaal aan het eind nog een zwiepje omhoog: het recentheidseffect. Als proefpersonen het verzoek krijgen vijf uitgesproken levendige herinneringen te vertellen, herinneringen van het soort dat ze zeker zouden opnemen in hun autobiografie als ze die ooit zouden schrijven, verdwijnt ook dat zwiepje omhoog, ten gunste van een nog hogere piek rond het twintigste.

Wanneer dit reminiscentie-effect precies inzet, is onder psychologen nog geen uitgemaakte zaak; over het verloop van het effect, eenmaal begonnen, is dankzij de vergrijzing meer bekend. In Nederland bereiken ieder jaar ruim zeshonderd mensen de leeftijd van honderd. En hoewel maar iets meer dan de helft van hen er ook in slaagt 101 te worden en het jaar erop weer de helft van de 101-jarigen het gevecht tegen de sterftestatistiek verliest, is er in Westerse samenlevingen nu een cohort voorhanden van mensen met zeer oude geheugens. Dat gaf psychologen de mogelijkheid om te onderzoeken of het reminiscentie-effect in de hoge ouderdom nog toeneemt of juist afvlakt.

In 2003 werd een groep honderdjarigen in Denemarken ondervraagd over hun herinneringen. Hun antwoorden werden vergeleken met die van een groep tachtigjarigen. Beide groepen lieten een fors reminiscentie-effect zien, maar bij de honderdjarigen was dit effect duidelijk sterker dan bij de ‘jonkies’ van tachtig. Er was nog een vondst. Gevraagd naar belangrijke publieke gebeurtenissen in hun leven vertelde ongeveer de helft van de tachtigjarigen een herinnering die verband hield met de Duitse bezetting. Geen enkele honderdjarige deed dat. Cue-woorden als ‘vlag’ en ‘geld’ lokten bij de honderdjarigen precies één herinnering aan de oorlog uit, maar vier aan de inlijving van Jutland bij Denemarken. Dat was in 1920, toen zij zelf rond de twintig waren. Je kunt je, met het reminiscentie-effect in het achterhoofd, voorstellen wat hier aan de hand is. Voor de tachtigjarigen viel de oorlog precies in de leeftijd van de reminiscentiehobbel. De honderdjarigen waren toen al in de veertig. Niet alleen de ernst van de omstandigheden, ook leeftijd lijkt een belangrijke selecterende factor bij wat er in de ouderdom zichtbaar wordt in het geheugen.

honderdplussers

In de psychologische literatuur over het reminiscentie-effect worden herinneringen hoofdzakelijk geturfd en uitgezet in staafdiagrammen of curves die de verdeling van die herinneringen over het leven tonen. Wie wil lezen over de reminiscenties zelf kan te rade gaan bij de interviews met honderdplussers die Steffie van den Oord verzamelde in haar boek Eeuwelingen. De oudste, Hendrikje Schipper, was van 1890, maar er waren er ook een paar van 1891, 1893 en 1896. Bij deze mensen, die rond 1960 al bejaard waren, heeft het reminiscentie-effect een bijna hilarische omvang gekregen. Louis Hellebrekers, steenbakker, geboren in 1901, vertelt dat die hete zomer van 1911 hem nog helder voor de geest staat: ‘Het was toen zó verschrikkelijk droog – je kon je hoed weggooien en die bleef dan op de koe d’r heup hangen.’ Zijn rechterarm begint nu wel minder te worden: daar heeft hij in 1916 te lang mee doorgetimmerd. Sophie Smit, van 1896, weet nog goed hoe ze als jonge vrouw uit Zierikzee naar Amsterdam verhuisde, maar de verhuizing terug, na haar pensionering als kantoorjuffrouw, in de terugblik een halve eeuw dichterbij, is ze vergeten.

Net als de bij de eeuwelingen uit het Deense experiment zijn de scherpste herinneringen afkomstig uit de tijd van de reminiscentiehobbel. Over de Tweede Wereldoorlog zijn de eeuwelingen, toen al veertigers en vijftigers, vaak opmerkelijk kort van stof. Kaasmaakster Annigje Baron-Rozendaal (1893) heeft niet veel meer te vertellen dan dat de handel stilviel en dat ze vier jaar had zitten borduren. Voor sommigen lijkt de oorlog niet veel meer geweest te zijn dan iets dat in mei 1940 begon en vijf jaar later weer voorbij was. De Eerste Wereldoorlog daarentegen, toen de Nederlandse militaire activiteit zich beperkte tot een mobilisatie, lijkt in het geheugen gegrift. Hellebrekers was als dertienjarige in Duitsland op een station gaan kijken hoe jonge mannen vertrokken naar de loopgraven in Frankrijk en ziet nu nog in zijn dromen soms de huilende vrouwen die achterbleven. Andere eeuwelingen verhalen over Belgische vluchtelingen, distributie en rantsoenering, de mijnenvelden bij de Doggersbank, de kolenschaarste, de dienstplicht die opleidingen onderbrak. Het is hetzelfde effect dat met zich meebrengt dat Cornelia van het Westeinde-Vermue, een struise Zeeuwse van 1899, de watersnoodramp van 1953 half vergeten lijkt, maar begint te huilen zodra ze het over een overstroming uit 1906 heeft.

Hoe is dit te verklaren? Hoe kan de herinnering aan een overstroming waarbij alleen een polder onderliep en wat kippen verdronken als bij een eclips voor een ramp schuiven waarbij 1800 mensen verdronken? De afgelopen twintig jaar zijn verschillende hypothesen voorgesteld, die overigens elk hun eigen bevindingen en uitkomsten lijken te organiseren. Je kunt een ruwe tweedeling maken. De ene soort verklaring zoekt het – om het wat cryptisch uit te drukken – in de aard van het geheugen, de andere in de aard van de herinneringen.

identiteit

Om met het laatste te beginnen: misschien zijn de jaren die later de reminiscentiehobbel zullen vormen het rijkst aan gebeurtenissen die je identiteit hebben gevormd en richting aan je leven hebben gegeven, zodat de herinneringen daaraan altijd een bevoorrechte positie houden. Ook iemand die nooit zijn memoires heeft geschreven en dit misschien nooit zal doen, ontwerpt in zijn geheugen toch een innerlijke autobiografie waarin de memorabele gebeurtenissen zich blijkbaar vroeg hebben voorgedaan. Een mooie demonstratie is dicht bij huis te vinden.

In deze krant liep de serie ‘Het beslissende boek’, waarin schrijvers vertelden over ‘het boek dat hun leven veranderde’. Van 48 van de 51 schrijvers liet zich vaststellen hoe oud ze waren toen ze hun beslissende boek lazen. Die leeftijden lopen uiteen van 10, toen Kristien Hemmerechts Blijf toch bij ons, Ingertje! las, tot 66, toen Hugo Pos gegrepen werd door Posthume herinneringen van Brás Cubas van Machado de Assis. Turven wees uit dat die beslissende boeken uiterst ongelijk over het leven zijn verdeeld. Driekwart van de schrijvers las zijn beslissende boek voor zijn 23ste. Daarna vlakt het snel af. Het gaat misschien te ver om te zeggen dat je eind twintig eigenlijk al te oud bent om nog een beslissend boek te lezen, tenslotte las Cees Nooteboom Proust pas op zijn veertigste, maar de mediaan voor het boek dat een leven verandert ligt bij 19 jaar, in het hart van de reminiscentieperiode.

Een tweede, even invloedrijke theorie doet denken aan de parabolische opvatting. In de tienerjaren zou het geheugen veel beter werken dan tijdens de middelbare leeftijd en later. Wat iemand in die jaren beleeft zou dan ook een veel grotere kans hebben deugdelijk te worden opgeslagen. De herinneringen uit die tijd worden daardoor later ook vaker opgehaald, wat hun voorsprong nog vergroot. Het onderzoek dat geheugenpsycholoog Jaap Murre en zijn medewerkers aan de Universiteit van Amsterdam hebben gedaan verloopt langs deze lijnen. In december zal Steve Janssen bij hem promoveren op een serie experimenten, ten dele via internet uitgevoerd met grote aantallen proefpersonen, die lijken uit te wijzen dat de oververtegenwoordiging van ‘vroege’ herinneringen niet te verklaren valt door hun emotionele pregnantie of hun ‘eerste keer’-karakter.

landverhuizers

Het kan niet het laatste woord over de verklaring van het reminiscentie-effect zijn. Er is ook onderzoek gedaan onder oudere mensen die als midden-twintigers waren geëmigreerd. Bij deze landverhuizers bleek de reminiscentiehobbel voor een deel meegeschoven naar de tijd dat ze veel nieuwe ervaringen kregen te verwerken. Bovendien lijken lang niet alle herinneringen uit de reminiscentiehobbel vaak herhaald en ingesleten, ze zijn eerder, zoals bij Oliver Sacks, van het ‘vijftig-jaar-niet-aan-gedacht’-type.

Het wonderlijkste misschien nog is het besef dat je pas tegen de tijd dat het reminiscentie-effect in volle kracht toeslaat te weten komt uit welke herinneringen je reminiscentiehobbel bestaat. Ze zijn al lang en breed vastgelegd, maar onder embargo. De veertig- of vijftigjarige mag denken op de hoogste trede van de levenstrap te staan en op die positie gebeurtenissen van gewicht en belang mee te maken, nog eens twintig jaar later blijkt dat hij toch vooral terugdenkt aan wat hij als tiener en jonge volwassene heeft beleefd. Dat de middelbare mens daar zo zelden bij stilstaat is een verkapte zegen. Je zou niet graag geopereerd worden door een chirurg van veertig die bij zichzelf denkt: ‘Ach, wat maakt het uit, dit ben ik over dertig jaar toch vergeten.’

verbaasd

Wie nog even naar de curve met herinneringen van de Deense honderdjarigen kijkt, ziet helemaal rechtsonder een weemoedig stemmend detail. Wat die honderdjarigen er vergeleken met de tachtigjarigen bij kregen is twintig jaar meer met weinig herinneringen. Van den Oord trof hetzelfde aan bij haar eeuwelingen. Velen van hen zijn natuurlijk zelf ook wel een beetje verbaasd over hoeveel ze zijn vergeten van de tweede helft van hun leven, zelfs als dat ingrijpende gebeurtenissen betrof zoals de watersnoodramp of de oorlog. Bij Annigje, de kaasmaakster, lijken de herinneringen die de moeite van het vertellen waard zijn zo ongeveer op te houden in de jaren dertig: ‘En verder is er niet zoveel meer gebeurd. In de Tweede Wereldoorlog zat ik buiten Rotterdam, veilig bij mijn familie. Ik kan me er weinig van herinneren. Ook van na de oorlog herinner ik me lang niet alles. De eerste mens op de maan? Ik zou het niet meer weten. Ik heb niet alles meer bijgehouden. Waarom zou ik?’ Bedenk: dit is de samenvatting van zestig jaar.

Met al dat vergeten hebben veel eeuwelingen de indruk dat ook dat extreem lange leven van hun is voorbijgevlogen. ‘Het klinkt misschien gek’, zegt een van hen, ‘maar ik kan me niet indenken dat een leven zo kórt is, al is het mijne dan honderd jaar.’

Zo hoort u het eens van een ander.