Het kleine koninkrijk en de Holle identiteit

Na een teleurstellend koele zomer, die zo vochtig was dat de appels al aan de bomen hingen te rotten voordat ze goed en wel gevallen waren, en die haast ongemerkt overging in kille, grijze herfstdagen, was het kleine koninkrijk aan zee bevangen geraakt door een lichte onrust. Zoals de traditie het wilde, werd er iedere herfst in het grote regeringspaleis met de fier wapperende kleurige vaantjes een nieuw plan gepresenteerd voor het komend jaar. Hoewel deze feestelijke gelegenheid vooral bedoeld was als excuus om de fraaie koninklijke Gouden Koets te kunnen gebruiken, stak er nog wel eens een onaangename verrassing in het nieuwe regeringsplan. Ook werd dit moment vaak aangegrepen door een van de vele geleerde commissies die het kleine koninkrijk rijk was om met wetenschappelijk uiterst verantwoorde, maar niet altijd even populaire aanbevelingen te komen.

Zodoende wachtten de onderdanen van het kleine koninkrijk vol spanning af. Zou het Geleerde Genootschap voor de Taal weer een spellingsvereenvoudiging voorstellen, in haar loffelijke, platonische streven naar de zuiverste taal? Dát bleef de de onderdanen van het kleine koninkrijk dit jaar bespaard, en sommige armlastige schoolmeesters beweerden kwaadaardig dat ze een zucht van verlichting door het land hadden horen trekken. Ook andere grote ingrepen leken dit jaar uit te blijven, totdat een aantal weken later tot ieders verrassing de Wijze Raad voor Regeerideeën, die altijd aan ministers uitlegde hoe ze moesten regeren, alsnog met de mededeling kwam dat alles anders moest.

De Wijze Raad had gezien dat het helemaal niet zo goed ging met het ogenschijnlijk zo welvarende en gelukkige kleine koninkrijk, ja, dat het hard bezig was te veranderen in een kruitvat, zoals sommigen wel zeiden. En dat, sprak de Raad, kwam door de identiteit van het kleine koninkrijk, de Holle identiteit.

Nu was de officiële naam van het kleine koninkrijk Leegland – zo genoemd omdat de inwoners het in de loop der eeuwen dankzij een enorme gemeenschappelijke inspanning aan het water hadden onttrokken, en het grootste deel van het ziltige kleine koninkrijk letterlijk hadden moeten leegpompen. Een of twee van de meest fanatiek leeggepompte provincies waren daarbij wat kromgetrokken, maar verder viel er heel goed te wonen. Het had het kleine koninkrijk in ieder geval de geuzennaam ‘Holle Land’ opgeleverd. Naast deze heroïsche strijd tegen de elementen hadden de Leeglanders zich weten te ontworstelen aan vreemde overheersers die hun autoritaire wil aan het dappere landje hadden willen opleggen – een bepalend moment voor de Holle identiteit.

Hierop volgde echter een minder lovenswaardige periode, waarin de Leeglanders zelf de overheersers werden van vreemde volkeren. Het had het Holle Land zijn huidige immense rijkdom opgeleverd, in ruil voor het brengen van de superieure, witte, Holle beschaving. De vreemde volkeren zagen dat echter anders en hadden zich op hun beurt ontworsteld aan de Holle overheersing.

Sindsdien waren de Leeglanders doordrongen van het besef dat het moreel verwerpelijk was om vreemde volkeren te willen onderwerpen, en dat de Holle, witte identiteit ook beslist niet superieur was aan die van de vreemde volkeren. De vreemde volkeren moesten hooguit een handje geholpen worden.

Dit bleek nu volgens de Wijze Raad te gelden voor de vreemdelingen in Leegland zelf. De olijfkleurige gastarbeiders waren niet geworteld in het Holle Land, hun voetsporen lagen elders. Er was hevig over de situatie gedebatteerd binnen de Raad.

„Misschien moeten de olijfkleurige gastarbeiders gewoon werken bij dezelfde bedrijven, en wonen in dezelfde wijken, als de Leeglanders. Dat levert in ieder geval een functionele Leeglandse identificatie op”, oreerde een van de geleerde raadsleden.

„Hm”, sprak een tweede raadslid bedachtzaam, „wellicht kunnen de olijfkleurige kinderen zelfs naar dezelfde scholen als de Leeglandse kinderen.”

„Het zal niet voldoende zijn”, verzuchtte het machtigste lid van de Wijze Raad, en boog zich voorover uit de leren fauteuil waarin hij tot op dat moment diep zat weggezakt. „Zien wij soms niet steeds meer oosterse gewaden op straat de laatste jaren? Dat is vanzelfsprekend het gevolg van de Holle identiteit die de vreemdelingen van alle kanten wordt opgedrongen. Het is de Holle identiteit die ons állen in de weg staat.”

De overige raadslieden vielen stil bij dit revolutionaire inzicht, waarvan ze intuïtief de juistheid inzagen. Had de nationale identiteit zich in het verleden niet ontpopt tot een bedrieglijk, ja gevaarlijk begrip, dat kon leiden tot nationalisme, een onbeheersbaar vehikel voor nationale trots? Bovendien sloot een nationale identiteit per definitie anderen uit. Wanneer een zuiver inclusieve nationale identiteit onmogelijk was, dan was het Holle Land waarschijnlijk beter af zonder, concludeerde de Wijze Raad. Nu werden ook de Leeglanders buitenstaanders in hun Holle Land, maar consequent was het wel.

Prompt werd een rapport met aanbevelingen opgesteld, en werd een lid van het Holle Koninklijk Huis, als boegbeeld van de natie, bereid gevonden het te presenteren. „Ik heb de Leeglandse identiteit gezocht maar niet gevonden”, sprak de prinses monter, „dé Leeglander bestaat niet.”

Een troost was dat niet voor de toegestroomde, op hun zondags uitgedoste Leeglanders, die beteuterd naar hun oranje vlaggetjes keken. Geen twee Leeglanders waren precies hetzelfde, dat wisten ze zelf ook wel, want als de Leeglanders het ergens wel over eens waren, dan was het wel dat ze allen uiterst uniek en individueel waren. De prinses had daar echter de conclusie aan verbonden dat er dus geen gemeenschappelijke Leeglandse kenmerken vielen te onderscheiden, geen gedeelde waarden, karakteristieken, gewoonten of geschiedenis die de Leeglanders verbond. Maar ook zij, hoewel beslist niet olijfkleurig en uiterlijk in niets verschillend van de blonde Leeglanders, kwam van verre, en dus werd het haar vergeven.

(Wordt vervolgd)

corine vloet