Heimwee naar toen

De hotelkamer doet denken aan een onderkomen van dertig jaar geleden.

Na twee dagen rijden over snelwegen biedt het Balatonmeer een oogstrelende aanblik. Een vrijwel rimpelloze plas, zich uitstrekkend van oost naar west. Hier en daar schildert een zeilschip een witte stip. Alleen: het hotel waarop ik mij had verheugd – met zwembad en privéstrand – is vol. Teleurgesteld slenter ik naar een aanpalende gelegenheid met treurige sovjetbalkonnetjes over de hele gevel. Er is nog maar één kamer vrij. Zonder uitzicht op het meer.

In het entreehalletje treffen we twee identieke kasten met slot. Verder twee smalle bedden met daarboven twee op dezelfde wijze verspringende boekenplankjes. Een golf van herinneringen spoelt over me heen. De laatste keer dat ik in Hongarije was – dertig jaar geleden – logeerde ik in precies zo’n kamer.

Ik nam deel aan een werkkamp, een vrijwilligersproject zou je nu zeggen. Samen met andere West -Europeanen en een aantal jonge Hongaren plukte ik perziken, iets ten oosten van Boedapest. We waren ondergebracht in een studentenflat die tijdens de zomervakantie was ontruimd. Het vertrek waar ik verbleef was precies zo ingericht als dit. Alleen waren daar toen van alles drie.

Het gebrek aan uitzicht kan me niet meer schelen, ik ben nu terug in de tijd. Duidelijk staat me weer voor ogen hoe we ons in de kantine in een rij opstelden voor het ontbijt, met een aluminium dienblad en aluminium bestek in de hand. Daarna werden we met een bus naar een boomgaard gereden waar vrouwen in bloemetjesjurken al aan het plukken waren. Altijd was het stralend weer. Net als nu. Met genoegen zie ik dat ook hier de lakens niet tot onder de kussens reiken, dat wordt blijkbaar verspilling geacht. Een weldadige rust daalt op me neer. Dit soort vakantieverblijven hoeft niet ideaal te zijn. Je maakt er het beste van.

We verlaten ons nostalgisch makende hotel en wandelen over de promenade, onder schaduwrijke platanen. Kinderen happen in een ijsje of in een suikerspin. Een jongen trapt voorbij in een rode auto. We luieren op het dorpsstrand waarvoor je een kaartje moet kopen en drinken Sopron bier onder een ouderwetse parasol. „Laten we morgen ook nog blijven”, stel ik voor.

Tijdens het diner, in een restaurant met zwartgeklede obers, vertel ik mijn gezelschap over de vakanties aan de Zwarte Zee die een Estse vriend van mij vroeger door een arts kreeg toegewezen, gratis, wegens zijn ‘wandelende nier.’ Hij moest altijd een kamer delen met een vreemde, dat was gebruikelijk. Vandaar die sloten op de kasten. Zodra hij ingecheckt was, ging hij inventariseren wat waar te krijgen was. Met wie hij kon kaarten of wodka kon drinken. Gelukzalige uitstapjes waren het geweest. Geen wonder, besluiten we, dat er in Oost-Europa zo veel heimwee bestaat naar de Sovjettijd.

Die nacht lig ik slapeloos op mijn smalle brits. Herinneringen spoken door mijn hoofd. Via luidsprekers werden we op de hoogte gehouden van de verplichte bijeenkomsten die ’s avonds voor ons werden gehouden. We kregen toespraken te horen van een vakbondsman, of van iemand van de jeugdafdeling van de communistische partij. Heel veel cijfers en goede raad kregen we te horen.

Onze Hongaarse groepsgenoten zorgden braaf voor de vertaling. Dat waren studenten van een landbouwschool die hun Engels in praktijk wilden brengen. De sympathieke Erika vertrouwde me toe dat ze op zoek was naar een buitenlandse echtgenoot, omdat ze het leven in Hongarije benauwend vond. Het meisje van de receptie bekende dat ze het zomerbaantje alleen had aangenomen omdat ze zo wellicht de kans kreeg om aan ‘valuta’ te komen voor een reis naar Finland waar ze van droomde. Voor een zwarte koers wisselde ze Hongaarse forinten voor onze D-marken. Later nam ze mij mee naar de benauwde tweekamerflat in de stad die ze met haar moeder deelde, een hardwerkende lerares. De kleden op de vloer waren versleten, het meubilair gevlekt. In een muur aan de overkant zaten kogelgaten. ‘’Van ’56’’, had de moeder gezegd.

’s Ochtends, als ik wakker word, is buiten alles opnieuw zonovergoten. We maken een boottochtje over het meer. ’s Avonds voegen we ons bij de honderden mensen die onder de platanen wijn zitten te drinken en geanimeerde gesprekken voeren. Verschillende wijnboeren verkopen hun producten vanuit houten kraampjes. Weifelend sta ik met mijn glas in de hand. Zoveel soorten, zoveel keus. Ik denk aan de lange rijen waarin ik destijds had moeten aanschuiven om aan iets te eten of te drinken te komen. De mensen om mij heen, als ze oud genoeg zijn natuurlijk, hebben zo jaar in jaar uit geleefd. Soms kwam je aan de beurt op het moment dat de kopjes of de glazen op waren. Dat betekende langdurige stagnatie.

Uit mijn ooghoek zie ik een lichtflits. De bladeren van de platanen beginnen wild te ritselen. Onweer, herinner ik me meteen. Dat kan zich ’s zomers in Hongarije merkwaardig plotseling aandienen.