GEEN RAMP

Na de overstromingen en de cycloon van begin dit jaar hoefde Mozambique geen beroep op internationale noodhulp te doen. Andere Afrikaanse landen die nu kampen met overstromingen, kunnen er van leren.
Vilankulo nadat cycloon Favio is overgetrokken. Foto AP Associated Press

De beelden van het meisje dat ter wereld kwam in een boom hoog boven het wassende water, gingen begin 2000 de hele aardbol over. De pasgeboren Rosita werd het symbool van de Mozambikaanse overstromingen. Wekenlang haalde deze natuurramp in Zuidelijk Afrika het nieuws. Grote internationale inzamelingsacties werden op touw gezet en de hulporganisaties overspoelden Mozambique.

Februari 2007. Ook dit jaar treedt de Zambezi-rivier buiten de oevers. In schaal en ernst doen deze overstromingen weinig onder voor die van zeven jaar geleden. Tienduizenden Mozambikanen moeten op de vlucht voor het water. Aan de kust komt er nog eens een tropische cycloon overheen, die velen dakloos maakt.

Toch brengt deze ramp het niet verder dan een handvol berichten van de internationale persagentschappen. Geen dramatische beelden van Mozambikanen in bomen, geen grootscheepse collecties voor de slachtoffers. De watersnood dit jaar lijkt minder rampzalig dan destijds.

Wat is het verschil met zeven jaar geleden? Kunnen we wel spreken van een ramp? En hoe zat dat dan in 2000?

Op het lege trapveldje staan enkel twee withouten doelen. Leandro Manuel Alberto loopt naar het midden van de lege zandvlakte in een buitenwijk in Vilankulo. De disctrictsvoorzitter van het Rode Kruis wijst om zich heen. Nadat op 23 februari de cycloon Favio deze kuststad trof, vonden 52 families die dakloos waren geworden op dit voetbalveld een tijdelijk onderkomen. „Militairen en vrijwilligers zetten de tenten op die al op voorraad waren en volgens plan groeven we latrines. In anderhalve dag stond het kamp overeind.” Belangrijker nog: binnen een maand kon het opvangkamp worden opgedoekt, omdat alle gezinnen weer een plek hadden gevonden. Dit soort dichtbevolkte noodvoorzieningen zijn vaak een bron van ziektes. Niet zelden breekt op zulke plekken cholera uit, zoals ook in 2000 na de overstromingen. Door snelle afhandeling en goede hygiëne werd zo’n epidemie dit keer voorkomen. Sindsdien kan de jeugd weer voetballen op het zanderige veld.

Wie in Vilankulo zes maanden na dato op zoek gaat naar de sporen die de tropische cycloon achterliet, moet flink speuren. Behalve een hoop ontwortelde palmbomen en het verwrongen staal van het vernielde dak boven de centrale markt, is de grootste puinhoop die de storm achterliet opgeruimd. De 44 duizend inwoners van het stadje in de provincie Inhambane hebben hun daken gerepareerd, de rieten hutten staan weer overeind. Slechts een paar noodtenten zijn nog in gebruik.

Volgens Alberto was de bevolking goed voorbereid op het natuurgeweld. „Het is niet de eerste keer dat hier zoiets gebeurt. Dus waren er noodkisten verspreid met medicijnen, slaapmatten, jerrycans en chloor om het water te zuiveren.” De cycloon kwam niet als een verrassing: een dag voordat Favio bij het Mozambikaanse vasteland zou aankomen, gingen Rode Kruisvrijwilligers de huizen langs om mensen te waarschuwen. De organisatie heeft duizenden vrijwilligers in het land die zij bij dit soort calamiteiten inschakelt.

Francisco José Neto is zo’n vrijwilligster. „We klopten hier in de wijk aan bij alle deuren. Niet iedereen heeft een radio, dus sommigen hoorden voor het eerst dat er een cycloon naderde. De vissers waarschuwden we dat ze niet uit moesten varen. Ook legden we uit hoe je met zandzakken je dak kunt verzwaren. En we adviseerden mensen genoeg te eten in huis te halen.”

Met haar kinderen zat de 34-jarige moeder thuis toen de cycloon overkwam. „We hoorden geen regen, alleen zand dat op de daken roffelde. En toen ging in één ruk het dak eraf. Ik dacht dat ons laatste uur geslagen had. Maar we hebben het overleefd.”

Nadat de wind ging liggen, gingen de vrijwilligers op pad om de schade op te nemen en te inventariseren wie dringend hulp nodig had. Neto, geboren en getogen in Vilankula, benadrukt dat de bewoners elkaar hielpen er weer bovenop te komen. „Hulp van buitenaf is vaak materieel. Maar onder elkaar is de steun ook moreel. Ook al heb je niet veel, je kunt altijd helpen. Ik kan zelfs als het moet mijn capulana in tweeën scheuren en de helft geven aan iemand die niets meer heeft”, zegt de Mozambikaanse, doelend op de lichtroze met zwarte doek die ze draagt als rok.

Volgens Rode Kruismedewerker Alberto is de Mozambikaanse solidariteit een onderbelicht aspect van dit soort crises in zijn land: „Je kunt niet altijd wachten op hulp van buitenaf. Toen de Zambezi overstroomde, verzamelde Vilankulo oude kleren en schoenen voor de mensen in het overstromingsgebied. Toen het hier fout liep, hielden de mensen in Zambezi inzamelingen. Dat sociale gevoel groeit in Mozambique, we beseffen dat we onszelf moeten helpen voordat iemand anders dat doet.”

Evengoed is Mozambique afhankelijk van buitenlands geld. De helft van het overheidsbudget komt van donoren en ook bij het natuurgeweld begin dit jaar moest het land een beroep doen op de aanwezige externe hulporganisaties. Toch leidde die hulp niet tot de spreekwoordelijke ‘ramp na de ramp’, waarbij hulporganisaties elkaar onder de voet lopen om hun fondsen op te maken zonder zich te verdiepen in de daadwerkelijke behoeften ter plekke. Dat is volgens Alberto grotendeels te danken aan de coördinerende rol van het INGC, het nationale instituut voor rampenbestrijding.

Voorkomen is beter dan genezen, is het motto dat in het Portugees boven de website van het INGC prijkt. De eerste maanden van het jaar zijn in Mozambique het seizoen van stormen en watersnood, daar kun je de klok op gelijkzetten. Dus begon het instituut ruim van tevoren met de voorbereidingen. Alberto: „Eind 2006 riep het INGC alle noodhulporganisaties in Vilankulo bij elkaar en inventariseerde wie wat had aan bijvoorbeeld tenten en brancards. Toen is het voetbalveld al aangewezen als een van de opvangplekken.”

Na de verwoestende tocht van cycloon Favio over Inhambane nam het rampenbestrijdingsinstituut de leiding op zich. De hulporganisaties kwamen dagelijks bijeen in het crisiscentrum. Het INGC, dat deze vergaderingen voorzat, inventariseerde de hulpwerkzaamheden en zorgde ervoor dat de aandacht gelijkelijk verdeeld was. Dat was voorheen wel anders, memoreert de disctrictsvoorzitter van het Rode Kruis. Toen werkten vele ngo’s (niet-gouvernementele organisaties) langs elkaar heen: „Het ontbrak destijds aan coördinatie. Dan deden verschillende organisaties hetzelfde zonder dat ze het wisten. Kwam iedereen aanzetten met zinken daken totdat je erin omkwam, terwijl andere zaken niet werden geregeld. Dat heeft het INGC weten te voorkomen.”

Vriend en vijand hebben de rol van zijn instituut geprezen. Toen de watersnood het midden van het land trof, bleef INGC-voorzitter Paulo Zucula niet zitten in zijn hoofdstedelijke kantoor aan de Rua da Resistência, duizend kilometer van het overstromingsgebied vandaan. Hij en zijn organisatie verkasten voor maanden naar Caia, een stad midden in de getroffen regio op de zuidoever van de Zambezi, waar hij zelf bij tijd en wijle natte voeten opliep. Zucula vindt die tijdelijke verhuizing vanzelfsprekend: „Ons instituut wil leiderschap uitoefenen. Dat kun je niet van een afstand, daarvoor moet je ter plekke zijn.”

Het INGC regeert in tijden van natuurgeweld met strakke hand. „Ik zeg altijd: wij hebben het stopcontact en vragen de hulporganisaties om de stekker. Wij weten het best wat er op welk moment nodig is en vragen dan of de ngo’s dat kunnen geven.”

Dat levert wel eens problemen op, want internationale ngo’s zijn zo’n eigenwijze aanpak niet gewend. De concurrentie tussen de hulporganisaties maakt coördinatie soms lastig. Ze willen allemaal de meest sexy hulpverleningstaken op zich nemen, zoals het redden van mensen uit bomen. De minder zichtbare maar even noodzakelijke hulp is moeilijker te slijten, zegt Zucula: „Ik had flinke ruzie met Save the Children toen we de organisaties vroegen in eerste instantie alles in te zetten op het graven van latrines en waterzuivering. Save the Children wilde niet, ze wilden iets voor de kinderen doen. Maar het voorkomen van een cholera-uitbraak was onze prioriteit. Het grootste gevaar van overstromingen is niet de verdrinkingsdood, maar de ziektes erna. Ook voor de kinderen. Uiteindelijk kregen we iedereen zo ver dat ze dat begrepen.”

Het INGC steekt veel energie in preventie. Door een alert waarschuwingssysteem en intensieve voorlichting vooraf maakten de overstromingen dit jaar veel minder slachtoffers dan voorheen. De bewoners van het rivierengebied wisten van tevoren naar welke hoger gelegen gebieden ze konden vluchten en hoorden op tijd wanneer het water eraan kwam. In 2000 kwamen zevenhonderd mensen om bij de overstromingen, dit jaar zijn slechts veertig doden te betreuren. „In 2000 werden de mensen wakker en stond hun huis onder water. Dit keer was iedereen op tijd gewaarschuwd”, verklaart de voorzitter.

Zucula waakt ervoor het woord ‘ramp’ te lichtvaardig te gebruiken. Volgens de INGC-voorzitter, weer terug in de hoofdstad en dezer dagen in beslag genomen door de droogte in zijn land, staan de media veel te snel klaar om natuurgeweld als ramp te betitelen. „Er is een groot verschil tussen een structureel fenomeen waarmee je rekening kunt houden en een onvoorziene noodsituatie die je niet meer aankan. Kijk naar Mozambique. Mensen wonen in de rivierbedding omdat het land er vruchtbaar is. Dan moet je niet gek opkijken als je akker af en toe onder water loopt. Net zoals bewoners van gebieden waar nog geen 1.200 millimeter regen per jaar valt niet moeten verwachten dat het er ooit genoeg gaat regenen. We weten dat Mozambique kwetsbaar is voor natuurfenomenen. Dan moet je daarnaar handelen. Dat doet Nederland met zijn ligging onder de zeespiegel toch ook?”

Zolang het lukt, wil Mozambique zelf zijn problemen oplossen. Dat moet je overigens met een flinke korrel zout nemen: het land is niet voor niets een grote donor’s darling en leunt ook bij rampenbestrijding zwaar op de hulp van de al aanwezige buitenlandse organisaties en geld van buitenaf. Maar in principe blijft het daar wat de overheid betreft bij. Daarom deed het Zuidelijk-Afrikaanse land dit jaar geen internationaal beroep op noodhulp, zelfs niet toen bovenop de watersnood een tropische cycloon kwam aanstormen. Zucula: „Als je wel zo’n oproep doet, zeg je: wij zijn niet in staat om onszelf te helpen. Terwijl we juist onze zaakjes zelf willen opknappen.”

Ook wetenschapper Luis Artur reisde in februari af naar het watersnoodgebied. De Mozambikaan promoveert aan de Universiteit van Wageningen op het onderwerp rampenbestrijding op gemeenschapsniveau. Hij onderzoekt op welke manier dorpelingen zelf de problemen opvangen en maatregelen nemen bij dreigende overstromingen. Maar dit keer bleef het niet bij onderzoek alleen: „Ik hielp mensen hun hutten weer op te bouwen en heb water gechloreerd. Als je landgenoten in nood zitten, houd je het niet bij observeren alleen, dan steek je je handen uit je mouwen.'

Ook Artur is positief over de rol van het INGC, maar hij plaatst wel kanttekeningen. Op een terras aan het strand in de hoofdstad Maputo, uitkijkend over de Indische Oceaan, blikt hij terug op de afgelopen watersnood. Volgens de promovendus leidt het stevige leiderschap van het rampenbestrijdinginstituut ertoe dat er te weinig oog is voor wat de mensen ter plekke willen. „Er wordt te veel van bovenaf gedacht. Zo zat er waspoeder in de noodkisten. Maar vrouwen op het platteland doen de was niet zoals in de stad. Ze wassen de kleren in de rivier en hebben daarvoor stukken zeep nodig, met poeder kunnen ze weinig.”

Ook lukt het nog niet zo best om gevluchte bewoners na de noodopvang een nieuwe woonplek verschaffen. De regering wil eigenlijk dat de mensen wegblijven uit de kwetsbare rivierendelta en gaan wonen op hoger gelegen stukken grond. Dat ziet de bevolking niet zitten, aldus Artur: „Hun sociale- en economische zekerheid hangt af van de landbouw vlak bij het water. Je kunt ze niet zo maar weghalen van de locatie waar ze sinds mensenheugenis wonen, waar ze hun traditionele kennis en vaardigheden hebben opgebouwd.”

Hij zou liever zien dat de overheid samen met de bewoners naar manieren zocht om met het water te leven. „Zo kun je kiezen voor het verbouwen van snel groeiende gewassen die je twee maanden na het zaaien al kunt oogsten. Op die manier voorkom je dat de oogst van een heel jaar mislukt door een overstroming. We moeten op zoek naar praktische oplossingen.”

Op sommige vlakken sloot de rampenbestrijding al wel aan bij de situatie ter plekke, besluit Artur. Zo speelden lokale transportmiddelen een hoofdrol bij de evacuatie van de bewoners: geen dure helikopters, maar traditionele kano’s die op strategische plekken lagen opgeborgen. „Als je maar op tijd bent, dan kun je daarmee ook velen evacueren. En stukken goedkoper.”

Overigens was ook in 2000 de kano een veel belangrijker redmiddel dan de helikopter. De internationale media kozen echter voor het plaatje van de blanke soldaat die zich uit een wentelwiek liet zakken om Mozambikaanse slachtoffers te redden, in plaats van de houten bootjes waarmee de bevolking elkaar uit de penarie hielp. Dat maakte het beeld dat bleef hangen van de watersnood in 2000 dramatischer dan de werkelijkheid.