Geef ze een broek die past

Veel interesante analyses, maar weinig concrete aanbevelingen voor de commissie-Dijsselbloem. Marlies Hagers en Derk Walters

De presentator wilde net een einde maken aan het debat, toen nog één man het woord vroeg. Hij introduceerde zichzelf als een “boze ouder, die nog bozer is geworden”. Er is iets grondig mis met het onderwijs, zei hij. Zijn kind werd al in groep 1 doodongelukkig. Dat leverde stress op in zijn gezin. En niemand weet wat zijn kinderen precies moeten leren. De Onderwijsinspectie niet, leraren niet, zijn kinderen zelf niet. Zijn conclusie: “Het geluk van kinderen is het belangrijkst in het onderwijs.”

De ouder in kwestie was afgelopen maandagavond de laatste spreker op de eerste regionale bijeenkomst van de parlementaire onderzoekscommissie onderwijsvernieuwingen, in Meppel. Hij was een van de weinige ouders, in een zaal die voornamelijk gevuld was met schoolbestuurders en leraren. Hij was uitgenodigd en hij werd gehoord. Maar zijn verhaal was erg persoonlijk en ging niet over onderwijsvernieuwingen. De commissie onderzoekt de basisvorming, Tweede Fase, vmbo en het nieuwe leren.

Dat roept de vraag op wat de commissie, onder leiding van PvdA’er Jeroen Dijsselbloem, opschiet met deze bijeenkomsten, waar zoveel verschillende geluiden worden gehoord. Een leraar wilde terug naar de ambachtsschool, een leerling wilde minder vakken, een conciërge wilde aandacht voor de schoonmaakbudgetten. En de ouder wilde dat zijn kind gelukkig werd.

Dat is altijd een beetje het probleem van onderwijsdebatten, zegt voorzitter Walter Dresscher van de Algemene Onderwijsbond (AOb). “Je krijgt een baaierd aan reacties en de samenstelling van het publiek is altijd wat willekeurig.” Dresscher zei in februari van dit jaar, toen de commissie werd ingesteld, dat hij niet veel zag in een “parlement dat zijn eigen straatje zou schoonvegen”. Nu is hij positiever gestemd over de commissie, onder meer omdat ook de Algemene Rekenkamer, het Sociaal en Cultureel Planbureau, twee hoogleraren onderwijsrecht en het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt bij het onderzoek zijn betrokken.

De opdracht van de commissie is relatief beperkt. Uit een brief die de commissie in juni naar de Tweede Kamer stuurde: “Het parlementair onderzoek heeft tot doel inzicht te verwerven in de invoering van onderwijsvernieuwingen om daarmee lessen te trekken voor de toekomst.” Dat duidt er niet op dat het rapport straks nieuwe vergezichten over het onderwijs zal bevatten.

Maar volgens Dijsselbloem kan het onderzoek “zo breed worden als we zelf willen”. Een belangrijke vraag die de commissie zich stelt, zegt Dijsselbloem, is hoe de overheid de kwaliteit van het onderwijs moet bewaken. “We zullen niet toekomen aan details als de schoonmaakbudgetten, maar ik vond bijvoorbeeld dat die ouder relevante opmerkingen maakte. Ouders willen weten wat hun kind leert en bij wie ze terechtkunnen als ze dat willen weten. Daar moet de overheid ook voor zorgen.”

terughoudend

Walter Dresscher verwacht dat de commissie ook hem nog gaat horen, zegt hij. Als voorzitter van een onderwijsbond denkt hij natuurlijk vooral aan wat de leraren ermee winnen. Dresscher: “De overheid moet zich voortaan een beetje terughoudend opstellen. Geen landelijke blauwdrukken meer, maar het gesprek aangaan met scholen en leraren.”

Uit het rapport van de commissie moeten natuurlijk geen nieuwe onderwijsvernieuwingen voortkomen, zegt oud-Tweede Kamerlid Ursie Lambrechts (D66). “Maar als ze er toch komen, moeten in elk geval worden gedragen door scholen en leraren. Het patroon van de onderwijsvernieuwingen is dat ze te topdown zijn ingevoerd, dat ze te complex waren en dat er te weinig oog was voor de uitvoerbaarheid. Ik denk dat het nuttig is dat de commissie daarnaar kijkt.”

Dat betekent niet, zegt Lambrechts, dat de overheid voortaan alleen nog maar naar leraren moet luisteren. “Goede examens, voldoende lesuren, goede leraren en een goede rol voor de inspectie zijn taken van de overheid. Maar andere dingen kunnen scholen prima zelf.”

Opmerkelijk tijdens de hoorzitting in Eindhoven was dat de ‘afgevaardigden’ van vmbo-afdelingen pleitten voor het terugdraaien van vernieuwingen. “Op het vmbo krijgt de leerling niet de broek die hij past”, zei iemand. Hij doelde op leerlingen met leer- en gedragsstoornissen “van wie er op dit moment 1.000 in deze regio thuis zitten”. Geef ons een plek waar we ze naar toe kunnen sturen. De commissie reageerde zeer geïnteresseerd. Tot bleek dat hiermee in feite werd bedoeld dat het speciaal onderwijs zou worden uitgebreid in plaats van verder afgeschaft.

Aan het eind van de avond in Eindhoven stond een leraar op die trots meldde dat op zijn school dit jaar de mavo in ere was hersteld. “Tja, dat kan”, reageerde Dijsselbloem. “Die is wettelijk nooit afgeschaft.”