De Turkse kleermaker

Op de hoek van de Frans Halsstraat en Gerard Doustraat, in de Pijp, zat ooit de beroemdste Turkse kleermaker van Amsterdam: Zekeriya Gümüs. Een andere Turkse kleermaker Mustafa Uysal (47) kocht de zaak via de gemeente in het najaar van 1997, na het gedwongen vertrek van de Gümüs-familie. Mustafa Uysal woont in stadsdeel Geuzeveld in Amsterdam-West en heeft twee kinderen, van wie de oudste, zijn dochter, psychologie studeert aan de universiteit. De zaak in het onderstuk bestaat uit een kleine hoge ruimte met een entresolletje waar de naaimachines snorren. Uysal heeft nog twee andere mannen in dienst. Het zijn uiterst vriendelijke mannen, altijd met de glimlach, koffie en thee paraat. De klantenkring is divers. Er komen veel Surinamers en Afrikanen, maar de meeste klanten zijn Nederlands in de weer verhollandste wijk. Het is er druk. Er wordt gepast, afgespeld, gepraat en ook regelmatig gedebatteerd, want Mustafa is een politiek bewuste kleermaker.

Uysal arriveerde 27 jaar geleden in Nederland, uit het stadje Karaman. Hij kwam in Nederland om werk te zoeken, maar was ook op de vlucht voor 'politieke problemen'. Hij was lid van de marxistisch-leninistisch geïnspireerde politieke beweging Devrimci Yol. De aanhangers voerden oppositie tegen de militaire junta die na een staatsgreep op 12 september 1980 in Turkije aan de macht kwam en daarnaast 'vochten' zij tegen de fascistische Grijze Wolven.

Uysal vond meteen werk als kleermaker en leerde Nederlands in de buurthuizen. Maar het bloed kroop waar het niet gaan kon en hij sloot zich aan bij de Nederlands-Turkse Arbeidersvereniging en richtte ook met een paar Turkse vrienden een eigen vereniging op waar hij politiek actief mee was. Ze kregen een kamertje in het toenmalige culturele centrum PH31, op de Prins Hendrikkade in Amsterdam. De Turken werkten samen met socialistische en anarchistische groeperingen in Nederland, zetten zich in voor hun kameraden, politieke gevangenen die in de bak zaten. Maar ze waren ook actief voor de kameraden in Chili, Argentinië, Nicaragua en Guatemala. 'Overal waar er onderdrukking was.'

Ze organiseerden protesten tegen de 'imperialistische politiek van Amerika'. De achterban bestond uit enkele duizenden Turken, enkele honderden waren actief.

Ze werden indertijd vaak geholpen door de Nederlanders. De Nederlanders waren een topvolk. Heel goed, makkelijk en ook sociaal. Tot het eind van de jaren negentig bleven ze dat topvolk. Na de val van de muur kwam eigenlijk al de omslag. De communistische vijand was verslagen en de islamitische wereld werd steeds meer de nieuwe vijand. Uysal vindt dat belachelijk, ook al is hij zelf geen moslim. Dat je terroristen wil aanpakken, begrijpt hij, maar het gewone volk? De mensen begrijpen het niet. Voor de media is de islamitische wereld terroristisch. Maar de westerse wereld heeft twee gezichten. Nadat de Sovjettroepen Afghanistan binnen vielen, werkte het Westen jarenlang samen met moslims en ook met Osama Bin Laden. Nu, 25 jaar later, is Bin Laden de grote vijand geworden.

Na 11 september 2001 werd het pas echt anders. De volgende dag werd hij door een buurtgenoot aangesproken: 'Er zijn in New York drieduizend mensen vermoord. Jij bent toch ook moslim?'

'Nee, ik ben geen moslim', zei Uysal, 'de moslim Saddam Hoessein heeft tienduizenden Koerden in Noord-Irak laten vermoorden. Daar heb ik je nog nooit over gehoord.'

'Dat was anders', zei de buurman.

'Hoe zo anders?' zei Uysal. 'Mensen zijn mensen.'

Na de moord op Theo van Gogh werd het nog weer erger. Er heerst meer angst, merkt hij. Ook al heeft hij zelf geen nare ervaringen. De buren zijn nog steeds aardig en hij heeft zelf altijd zijn glimlach. Dat is zijn natuur. Maar hij hoort de mensen in de buurt onderling praten. Ze zeggen: 'Zulke mensen moeten terug.'

Het was weer wat aan het luwen, maar nu heb je Wilders weer. 'Je weet het toch? Elke dag is er discussie over de islam. Ook al ben je zelf niet gelovig, je moet op je woorden letten. Je bent hier wel te gast.'

Er zijn twee kampen ontstaan in de stad. Je hebt nu witte en zwarte scholen. Bij hem in de wijk Geuzenveld, in het uiterste westen van de stad, heb je Nederlanders die hun kinderen helemaal naar een school in Oud-Zuid brengen. Dat is drie kwartier rijden. In stadsdeel Oud-Zuid is maar 10 procent allochtoon, in het centrum nog minder, maar in Amsterdam-West is 60 procent allochtoon. 'Hoe kan dat? Waar zijn we mee bezig? Dat integreert niet goed. Dan ga je je niet aanpassen. Waarom zijn de migranten niet gespreid? Waarom zitten de Marokkanen allemaal bij elkaar in West? Je moet geen getto's tolereren. Maar de gemeente vond dat waarschijnlijk wel makkelijk. Kijk, als je contact wil, moet je samen oplopen. Als de één gaat lopen en de ander blijft staan, kun je niet met elkaar praten.' Als hij een Hollands café binnen gaat, zitten er tien Hollanders die hem allemaal raar aankijken. Dat verandert nooit. 'Ik doe niks fout, ik werk, ik ben gewoon een klant, maar ik vind het niet prettig. Geleidelijk aan is het contact met de Nederlanders minder geworden. Dat zie ik in de hele stad. Ik vind dat jammer, hoor. Ik heb heel lang gedacht dat ik naar Turkije terug zou gaan. Maar ik ben hier nu 27 jaar, dus dat gaat niet meer gebeuren.'