De liefde moet wel van twee kanten komen, burgers mogen zelf ook wat doen voor de politiek

Als het over opvoeden gaat, voelt het kabinet de wensen van Nederlanders goed aan, zegt Geert Dales tegen Marieke van Twillert. Maar als het om Europa gaat, is de kabinetslijn in strijd met wat de burger wil.

De democratische rechtsstaat staat als een huis. Geert Dales kan niet anders dan tevreden constateren dat „slechts 7 procent van de burgers de waarden en de voordelen van democratie níet ziet.”

Dales is sinds drie maanden voorzitter van het college van bestuur van hogeschool InHolland met 34.000 studenten in de Randstad. Als voormalig VVD-politicus met tien jaar ervaring in de lokale politiek, eerst als raadslid en wethouder in Amsterdam, later als burgemeester van Leeuwarden, ziet Dales in de cijfers van 21minuten een onderstreping van de Nederlandse rechtsorde: „Het bevestigt mijn gevoel dat we in Nederland wel goed zitten.” Wat Dales vooral aanspreekt is dat de burgers een goede perceptie hebben van hun rol daarin. „Zij zijn verantwoordelijk voor het handhaven van de democratische samenleving. Wij dus, de burgers, zijn degenen die dat dragen. Dat sterkt me in mijn overtuiging dat er geen begin is van een ondermijning ervan.”

Veel burgers hebben een hang naar een versterking van directe democratie, blijkt uit het 21minutenonderzoek. Dales kijkt daar niet van op. „Het referendum en de gekozen burgemeester worden door veel mensen toegejuicht.” Ook door Dales zelf inmiddels, zij het dat hij over het referendum nog „wat mitsen en maren” heeft.

Met zijn stelling dat een burgemeester rechtstreeks gekozen moet worden, staat hij recht tegenover minister van Binnenlandse Zaken Guusje ter Horst. „Zij hield onlangs een warm pleidooi voor de ouderwetse Kroonbenoeming, wat ik uit de mond van een modern bestuurder een verbijsterende mededeling vind. Overigens was Ter Horst altijd voor de gekozen burgemeester toen ze nog burgemeester was. Nu is zij minister en heeft ze zich daar frontaal tegen gekeerd. Het regeerakkoord zegt daar niets meer over, en zij zegt: het moet ook niet meer, we moeten er vanaf. De Kroonbenoeming is – volgens Ter Horst – verregaand gedemocratiseerd, want de invloed van de gemeenteraad is groter geworden dan die vroeger was.”

Dales vindt dat een verbazingwekkende redenering: „Je zegt daarmee eigenlijk ‘burger laat het maar aan ons over, u heeft niets te zeggen’. Ik vind dat een ouderwetse, regenteske houding. Ik ben een warm voorstander van de rechtstreekse burgemeestersverkiezing, zoals wij ook parlementariërs kiezen en indirect ook de regering.” Was hij nog burgemeester geweest, en zouden er burgemeestersverkiezingen worden gehouden, dan zou hij zelf ook met een programma de boer op zijn gegaan.

Méér directe democratie wil de burger. „Nogal wiedes, hij is mondig geworden en laat zich niet meer afschepen.” Dales snapt die wens goed en stelt vast dat dit niet overeenkomt met wat er momenteel in de Haagse politiek wordt gezegd. „Dit geeft te denken. De gekozen burgemeester is om zeep geholpen door Ter Horst, maar de burger denkt er anders over. Erger is dat er geen begin van een gesprek is over de invloed van de burger op de uitvoerende macht. Dat is in Haagse kringen geen debat. Interessant in dat verband is ook wat gezegd is over het referendum over het Europees grondwettelijk verdrag. De regering roept dat de burger daar niets over mag zeggen – wat volkomen in strijd is met wat de burger zelf wil. Daarmee is de landelijke politiek ernstig weggedreven van wat kennelijk de onderstroom in de samenleving is.”

Het beleid van de regering mag op het vlak van de directe democratie niet stroken met wat de burger wil, op een ander gebied heeft het kabinet-Balkenende de wens van de burgers goed aangevoeld, moet Dales toegeven: het opvoeden van kinderen. Dales: „Ouders zijn primair verantwoordelijk voor hun kinderen. Het lijkt mij onwenselijk dat de overheid zich daarmee gaat bemoeien, maar burgers willen dat kennelijk wel en dat spoort met het regeringsbeleid. Er komt het elektronisch kinddossier, de Centra voor Jeugd en Gezin van Rouvoet. Ik heb gehoord over een cursus voor het verbeteren van huwelijken, verbod op porno op mobiele telefoons, bepaalde reclame op tv, aanpak van alcoholmisbruik onder jongeren”, somt hij op. „De trend is bevoogding, kennelijk vinden mensen dat prettig en het kabinet heeft dat goed aangevoeld.”

De liberaal Dales vindt dat evenwel ‘ideologisch’ niet gewenst. „Je neemt verantwoordelijkheid uit handen waar dat hoort.” En, belangrijker, het werkt niet. „Je wekt verwachtingen die je niet kunt waarmaken.” Dales voorspelt dat juist daarmee, door beloftes te maken die niet in te lossen zijn, het toch al geringe vertrouwen van de burger in de overheid verder zal afkalven. „En dan boeren we achteruit in plaats van vooruit.”

Tegelijkertijd verwacht de burger wel erg veel van de overheid, concludeert Dales. „Dat is eerder uit onderzoek gebleken, en komt nu met 21minuten opnieuw naar voren. Het is een merkwaardige paradox dat de burgers tegelijkertijd weinig vertrouwen hebben in dezelfde overheid. Een irrationele situatie.”

Waarmee Dales weer terug is bij de burger. „Je moet zelf ook iets doen. Het is teleurstellend dat de opkomst bij met name gemeenteraadsverkiezingen zo laag is.” Meestal neemt zo’n 50 procent van de kiesgerechtigden de moeite om te stemmen. „De burger wil dus betrokkenheid in de politiek, wil inspraak, maar is te weinig bereid om dan zelf actie te ondernemen.”

Aan de politiek zelf ligt dat niet, meent Dales. „De kloof tussen burger en politiek wordt geacht groot te zijn, maar volgens mij valt dat wel mee. De politici hebben podcasts, weblogs, buddyprojecten, zeepkisten, er is interactief beleid, er zijn burgerinitiatieven, het agenderingsrecht in de Tweede Kamer en dan ook nog de traditionele inspraak.” Meer kunnen politici niet doen. Dales: „De liefde moet wel van twee kanten komen. Kennelijk willen de burgers wel betrokkenheid, maar wijzen ze naar de ander als het er op aankomt. Om enig recht van spreken te hebben, zouden burgers in groteren getale moeten stemmen, dat geeft ook een steviger mandaat. En mensen moeten meer gebruikmaken van de mogelijkheden die er zijn. Bij inspraakrondes hebben gemeenteraden nu vooral te maken met habitués, querulanten en behartigers van eigen belang.”

Het moet Dales van het hart dat ook de deelname aan volksvertegenwoordiging zelf gering is. Als lokaal politicus was hij betrokken bij sollicitatieronden voor kandidaat-raadsleden bij de VVD. „Ik ben zwaar teleurgesteld in het aantal mensen dat bereid is raadslid te worden. Als je ziet hoe moeilijk het is om goede mensen op de lijst te krijgen, dan is er toch iets mis met de betrokkenheid. Ja, het kost tijd, energie en het levert weinig geld op, maar je krijgt wel invloed.”

De vraag is hoe die betrokkenheid bij burgers te vergroten. „Burgerschap is iets wat je in de cultuur moet opnemen. Je moet dat niet verplicht stellen, maar wel langzaam opbouwen.” En, voegt hij toe „politiek is maar een van de wegen om goed burgerschap te tonen. Er zijn zoveel manieren om betrokkenheid te uiten. Er zijn veel vrijwilligers, die buitengewoon veel doen. Loof en prijs die waar dat maar kan.”

Uit het 21minutenonderzoek blijkt dat maar 6 procent van de Nederlanders het nodig vindt om lid te zijn van een politieke partij. „Mijn eigen partij, de VVD, heeft maar iets van 50.000 leden. Dat is weinig, het zou veel breder moeten zijn. Daar kun je negatief over zijn, maar tegelijkertijd kun je ook heel blij zijn met de betrokkenheid van die mensen.”

Zelf vindt hij niet meer dan normaal om lange dagen te maken, ’s avonds, soms ’s nachts en in de weekeinden. Om extra werk te verzetten voor de hogeschool, maar ook voor de commissies, stichtingen en andere organisaties waarin hij zitting heeft. „Dat gaat niet alleen om maatschappelijke betrokkenheid, het mag ook wel leuk zijn, maar ik vind dat als je capaciteiten hebt, je ook een bijdrage kunt leveren aan de samenleving.”

Niet iedereen zal mee willen doen, erkent hij. „Als je laagopgeleid bent, een laag inkomen hebt, matig bent gehuisvest en keihard moet werken om het hoofd boven water te houden, dan heb je andere prioriteiten dan de politiek. En ten slotte heb je ook nog de groep structureel ontevredenen, die kun je nooit tot een constructieve bijdrage brengen. Dat wordt nooit wat, dat zal zo blijven, dat hoort bij de folklore.”