De dipsausdemocratie is uitgewoond, maar we doen er lekker niks aan

Het kabinet-Balkenende IV is sinds een jaar bezig langs lijnen die verrassend aansluiten bij wat de Nederlanders willen. Maar het krijgt er nog weinig krediet voor, constateert Marc Chavannes.

Ruud en Sharon Laagland zijn thuis behoorlijk gelukkig, zij vinden het normaal dat je de kinderen goed opvoedt, de buren helpt en gaat stemmen als er verkiezingen zijn. Maar van hun invloed op de publieke zaak verwachten zij weinig en van Kamer en kabinet nog minder. Zij volgen de politiek als het zo uitkomt. Niemand komt voor hen op. Ook in Europa niet. De jongste 21minutenenquête laat het zien: de dipsaus-democratie is gevaarlijk uitgewoond.

De crisis van de vertegenwoordiging is niet nieuw. De meeste politieke bewegingen komen voort uit ontevredenheid over toegang tot de macht. In 1966 werd een politieke partij opgericht om het systeem ingrijpend te veranderen. De Democraten ’66 zeiden dat de burger volwassen was geworden. De instructies van de levensbeschouwelijke zuilen waren uitgewerkt. Burgers moesten meepraten over zaken van gemeenschappelijk belang, hun burgemeester en hun Kamerlid kiezen en blijven kennen, en de minister-president aanwijzen.

Het vervolg is bekend. Nederland is als een gek gaan vergaderen. Iedereen kreeg een voornaam en kocht een speels brilmontuur, werd als het even kon adviseur en verdiende een hoop geld aan de gegroeide twijfel of we het wel goed deden. Ambtenaren gingen op cursus om het bedrijfsleven te aanbidden. Steeds onervarener politici leek dat ook modern. En we hielden de staatsinrichting van 1848. Daar waren al twee wereldoorlogen overheen gegaan. Een beetje gekkigheid kon er nog wel bij.

Toen kwam Pim Fortuyn. Die wees met een venijnige doeltreffendheid op de zelfgenoegzaamheid van het bestel, dat was meegedeind op de inspraakbaren en alles bij het oude had gelaten voor de insiders. Honderdduizenden onderburgers uit arme streken hadden intussen honderdduizenden binnenlandse outsiders klemgeïmmigreerd. De elite dekte de spanning toe met een multicultureel verhaaltje. In 2002 leek het bestel te ontploffen toen Fortuyn afstevende op een verkiezingsdoorbraak.

Sinds zijn vroegtijdige dood heeft vooral het CDA zich met succes opgeworpen als de kalme kracht die een land in beroering nodig had. Na een kortstondig herstel zijn PvdA en ook de VVD verzeild in een cascade van leiderschapsperikelen en uitingen van diepe twijfel. Het politieke centrum dreigt te smal te worden om als meerderheid te regeren. Vleugelspelers als Jan Marijnissen, Geert Wilders en Rita Verdonk baden in het licht van de schijnwerpers.

In een vlaag van luisteren naar het volk besloot de Tweede Kamer in 2005 een referendum te houden over de Europese Grondwet. Een ruime meerderheid van de Kamer was vóór aanvaarding, maar het zou mooi zijn als ‘de mensen’ op dit belangrijke moment hun instemming zouden betuigen. Dat deden zij niet. Het Nee won overtuigend. Boos op Brusselse dictaten, de overmacht van grote landen, bang voor Turkije, behoefte om de Fortuyn-ligt-gelukkig-achter-ons-elite een hak te zetten? Misschien van alles wat.

Het kabinet-Balkenende-IV is sinds een jaar bezig langs lijnen die verrassend aansluiten bij wat de Nederlanders volgens het 21minutenonderzoek willen. Maar het krijgt er nog weinig krediet voor. 33 procent heeft vertrouwen in het kabinet. Een dramatisch geringe 20 procent voelt zich vertegenwoordigd door de politiek, tegen 45 procent die zich niet vertegenwoordigd voelt (29 procent geen mening). Maar liefst 52 procent van de mensen klaagt over onvoldoende invloed op het bestuur.

Toch lijkt het kabinet te begrijpen dat veel mensen hechten aan solidariteit, kinderbijslag, collectieve zorg voor zieken en ouderen, gelijke kansen in het onderwijs en het openbaar vervoer. Men zit niet zichtbaar te wachten op meer risico’s en marktprikkels. Een duidelijke meerderheid wil dat de overheid medeburgers op het rechte pad houdt. En, waar dit kabinet ook heel goed in is: de mensen willen heel graag meer betrokken worden bij de besluitvorming en meer horen over de resultaten. De honderddagencampagne was wat dat betreft een gebed verhoord. Tweederde zegt overigens geen idee te hebben van de langetermijnvisie van de regering.

Het niet-uitschrijven van een herhaalrecept voor het EU-referendum is voor burgers van bijna alle politieke gezindten een klap in het gezicht. De miskende burgers geven toe dat zij invloed op het bestuur zouden kunnen uitoefenen door lid te worden van een politieke partij of een vakbond, naar een inspraakavond te gaan, een petitie of een ingezonden brief te schrijven, maar veel fiducie hebben zij daar niet in. Met een overduidelijke meerderheid daarentegen willen zij dat er referenda worden uitgeschreven, bindend als het kan. Op alle niveaus.

Tweederde van de bevolking wil een nieuw EU-referendum. En referenda over landelijke beleidskeuzes, liefst bindend. En referenda over grote zaken in de eigen gemeente. Een minder grote meerderheid wil zelf de burgemeester kiezen, maar die voorstanders willen dat voor 90 procent zelf doen, en niet aan de gemeenteraad overlaten. Tweederde wil ook referenda over genomen besluiten van de gemeenteraad. Het gebrek aan vertrouwen in de gekozen volksvertegenwoordigers gaat op landelijk niveau zo ver dat men graag een evaluatie wil zien van het functioneren van de Tweede Kamer door een onafhankelijk instituut.

Dat laatste is natuurlijk de democratie op z’n kop, of minstens in de ziekenboeg. Het volk is soeverein en laat zich in het parlement vertegenwoordigen om mede wet te geven en de regering te controleren. Mooie theorie. De meerderheid ziet ‘de Kamer’ als een chronisch teleurstellende service-instelling die dringend door McKinsey of de Rekenkamer moet worden doorgelicht. In de enquêteantwoorden over de parlementaire democratie zit een hardnekkige boosheid die nog voor pijnlijke verrassingen kan zorgen.

Als de respondenten wordt gevraagd wie verantwoordelijk is voor het in stand houden van de democratie, dan wijst men bij voorrang de burger aan. Gelukkig. Kort daarop gevolgd door Kamer en kabinet, en op grote afstand gevolgd door de media. Dat laatste zouden de media zich moeten aantrekken voorzover zij de ambitie hebben de democratie te dienen. De media informeren wel, maar zij jagen veel op relletjes, vinden de burgers, en komen dus aan een meer substantiële bijdrage tot het levend houden van de democratie kennelijk niet toe.

Het fascinerende van alle uitspraken die de enquête aan Ruud en Sharon Laagland heeft ontlokt is dat glashelder blijkt dat zij het gevoel hebben voor zichzelf te moeten opkomen, maar tegelijk – meer dan in veel landen – voor van alles op de overheid rekenen. Het zijn oersocialisten zonder dat zij het weten. Misschien stemmen zij wel rechts of niks, maar zij willen liever nog wat meer regels dan rekening houden met onverwachte kansen in het leven.

Dat collectivistische verwachtingspatroon draagt er waarschijnlijk toe bij dat men hooguit een paar tientjes aan liefdadigheid geeft. Solidariteit wordt verwacht en er is al voor betaald. In het verlengde daarvan blijkt men maar lauwwarm te lopen voor ontwikkelingshulp: 17 procent vindt dat het meer moet, voor 31 procent mag het wel minder. De relatief hoge Nederlandse ontwikkelingsbijdrage in de wereld is geen onwankelbare volksambitie.

De zendingsdrift blijkt sowieso grenzen te kennen. In eigen land wil men dat de overheid op allerlei manieren zorgt dat mensen niet van het juiste en fatsoenlijke pad afraken, maar meer laten betalen of vermanend toespreken bij een onverstandige levenswandel hoeft niet. Het buitenland moet het maar zelf weten. Europa is goed als machtsschild en milieudienst, maar moet verder van Nederland afblijven.

De meeste Nederlanders vinden democratie de beste bestuursvorm; zij denken dat democratie het wint van terrorisme, maar gewapenderhand opleggen van de democratie aan landen die dat niet kennen, is voor minder dan een vijfde een goed idee. Dat is een belangrijk signaal voor dit referendumschuwe kabinet: noch uit oogpunt van ontwikkelingswerk noch uit het oogpunt democratie-export is verlenging van de Uruzgan-missie een voor de hand liggend besluit. Voor de niet-ingewijde burgers althans. Niemand stelt in die kwestie een referendum voor; de uitslag laat zich raden.

Blijft de vraag hoe lang de huidige politieke klasse kan doorgaan toch zulke besluiten in de Trêveszaal te nemen. Sinds we van standendemocratie via Thorbecke en de verzuiling terecht zijn gekomen in de toeschouwers- of dramademocratie, geeft het volk bij verkiezingen slechts voorwaardelijk vertrouwen. Dat betekent dat bij iedere belangrijke zaak opnieuw een paraaf bij het volk moet worden gehaald.

Uit dit onderzoek blijkt dat men bij zijn stemkeuze veel meer waarde hecht aan de ‘inhoudelijke standpunten’ en de ‘ideologie van de partij’ dan aan gewoonte, geloof, stemwijzer of lijsttrekker. Dat lijkt in strijd met het dictaat van de permanente populariteitsverplichting. Misschien liet de burger hier bij het invullen van de enquête vooral zijn wenselijk geachte gezicht zien. De heftige schommelingen in populariteit van politieke leiders, en het daaraan gekoppelde lot van hun beweging, is in de westelijke wereld moeilijk weg te denken.

Maar ‘de politiek’ kan de uitdaging aannemen en de kiezer hier op zijn serieuze woord geloven. Heldere standpunten innemen, eindeloos burgers raadplegen en resultaten uitleggen. Eerlijk en betrouwbaar zijn tot het einde. En kijken of het helpt. Want één ding is zeker: zolang Nederlandse burgers veel verwachten van hun overheid en het wantrouwen jegens degenen die die overheid sturen, zo sterk blijft, wonen we op een vulkaan.

Stilzitten en hopen dat het voorbijgaat, is geen optie.