Cement

Het moet, aldus de schrijver, vaak gebeuren dat een cementauto ergens strandt door ouderdom, een defect of ten gevolge van een ongeluk. Die auto moet dan, gevuld met keihard cement, als afgeschreven worden beschouwd.

Alles aan beton is interessant. Van de bijna culinaire manier waarop het in een ronddraaiende molen wordt gemaakt tot en met de onverwoestbaarheid die een betonnen gebouw uitstraalt. Tussen die twee uitersten openbaren zich alle denkbare mogelijkheden van de architectuur. Helaas is er bij de betonarchitectuur in de meeste gevallen geen architect aan te pas gekomen, met als gevolg dat alle bunkers, schietkoepels en startbanen op elkaar lijken: ze zijn grauw, rechttoe rechtaan en stralen onverzettelijkheid uit.

Vooral in de jaren ’30 en ’40, tijdens het voorspel op en het verloop van de Tweede Wereldoorlog moeten er in Europa vele miljoenen kubieke meters cement zijn vervaardigd, voor allerlei soorten lugubere architectuur. Veel van die monsterbouwwerken staan er nog steeds, omdat het onbetaalbaar is om ze met voldoende zware explosieven te verwijderen. Neem het lanceerplatform voor V2-raketten in het Noord-Franse Bois d’Éperlecque of de bunkers voor luchtafweergeschut in Wenen, Hamburg of de ligplaatsen voor Duitse onderzeeboten aan de Oostzee.

Misschien is het door die associaties met de oorlog dat cement en beton voor mij altijd een onrustbarende aantrekkingskracht hebben gehad. Nog altijd kijk ik in het verkeer met speciale aandacht naar cementvrachtwagens. Je herkent ze aan de grote ronddraaiende betonmolen achterop. Daar zit het vloeibare cement in en God verhoede dat die molen stilvalt, want dan stolt het cement tot beton en krijg je het er met geen mogelijkheid meer uit. Wat gebeurt er nu, zo legde iemand mij onlangs voor, met kapotte cementauto’s. Ergens onderweg gaat zo’n auto een keer stuk en dan kan men toch nooit snel genoeg ter plaatse zijn om te verhinderen dat dat cement begint op te drogen. Dus het moet vaak genoeg gebeuren (wekelijks? maandelijks?) dat zo’n cementauto ergens strandt, door ouderdom, een defect of ten gevolge van een ongeluk. Die moet dan als afgeschreven worden beschouwd, gevuld met dat keiharde cement. Een dergelijke stilgevallen, gestolde cementauto is onvernietigbaar. Pletten? Verbranden? Springstof? Vergeet het maar. Je vraagt je af of er speciale autokerkhoven zijn voor dergelijke nutteloos geworden cementauto’. Dat moeten dan onafzienbaar grote spookparkeerplaatsen zijn; zoals die stukken woestijn in Nevada, die gebruikt worden voor duizenden onbruikbare passagiersvliegtuigen.

De meest lugubere betonnen gebouwen die ik ken zijn de twee ondergrondse Duitse hospitalen op de Kanaaleilanden Guernsey en Jersey. Gebouwd door dwangarbeiders in opdracht van de Duitsers in de jaren 1940-’44 op een diepte tot meer dan twintig meter, waren zij bedoeld om bij de te verwachten gevechten in Frankrijk de gewonde Duitse soldaten snel naar een veilige, bomvrije plaats te kunnen overbrengen, alwaar zij medisch verzorgd konden worden. Hoewel uitgerust met een voor die tijd modern ventilatiesysteem, blijft de gedachte van een ondergronds ziekenhuis, zonder enig daglicht, een onmenselijk en pervers idee. Wie er nu rondloopt, voelt claustrofobische huiveringen door zijn lichaam trekken. In het halfduister ontwaart men nog de in Gothische letters op de muur geschreven aanduiding van de functie der opeenvolgende ruimten aan weerszijden van de eindeloze gangen. Er blijkt zelfs een bioscoop te zijn geweest, naast een ruimte die als mortuarium staat aangeduid.

Cement leent zich soepel voor het menselijke bouwen. Misschien is het daarom dat dit materiaal in zijn onvergankelijke bouwwerken de mens des te zuiverder aan zichzelf toont, en dat helaas – zoals de dichter zegt – ‘duurzamer dan brons’.