Altijd verlangen naar opwinding

Hoogleraar Sport en Recht Heiko van Staveren neemt het op voor sporters die doping nemen. Alsof sport alleen door doping oneerlijk is. „Andersdenkenden worden niet serieus genomen.”

Door doping worden de beginselen van een open en eerlijke krachtmeting in de sport verstoord. Prof. mr. Heiko van Staveren, scheidend hoogleraar Sport en Recht aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, laat zich niet overtuigen door dit argument dat door overheden, gezaghebbende sportinstituten en -bonden wordt aangewend om het gebruik van prestatiebevorderende medicamenten te verbieden en zowaar te bestraffen. Dat doping ongezond kan zijn, is een ander verhaal. Maar is topsport sowieso niet ongezond?

Turnmeisjes, tenniskinderen, voetbalpeuters en ballettalentjes die al op jonge leeftijd aan zware trainingen worden onderworpen. Het zijn bekende fenomenen. Is dat dan niet ongezond? Kan dat allemaal maar? Het gaat Van Staveren, meervoudig hockeyinternational en deelnemer aan de Olympische Spelen van 1968, niet om de vraag of topsport gezond dan wel ongezond is, maar om de ‘hysterie’ die wordt aangericht door beleidsvoerders als het gaat om stimulerende medicamenten. ,,Straffen die worden uitgesproken, van twee jaar tot levenslang, alsof de gebruikers van doping criminelen zijn.” Hij verwijst met enige afschuw naar uitspraken van de voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité, Jacques Rogge. Dat ‘dopingzondaars’ voor het leven uitgesloten moeten worden. „Maar tegelijk ook zeggen dat gedopeerde sporters niet gecriminaliseerd moeten worden.”

Sport is show, ofwel entertainment geworden. Beroepssporters verdienen hun geld omdat ze uitzonderlijke kunstjes laten zien. Zoals een popartiest, een viooltalent, een ballerina, een topman van een multinational, en politicus het beste uit zichzelf kan halen door af en toe een ‘prestatiebevorderend’ middel te nemen. „De toeschouwer maalt niet om schone of vuile kunsten. De toeschouwer wil het beste, het hoogste, het meest spectaculaire. Denkt u als u een geweldige muziekband hoort, ja maar dat is doping want ze gebruiken drugs of wat dan ook? En hoe zou het klinken zonder doping en drugs? Hoe dat tot stand is gekomen interesseert niemand, behalve de overkoepelende instanties die menen te waken over de ethiek. Ze waken in feite over het imago van de sport. Sport wordt bevuild, denken ze. Sponsors en bestuurders voelen zich in hun integriteit aangetast als hun sport niet op ethische wijze wordt bedreven.”

Beluisterd door prominenten uit de sportwereld, zoals de succesvolle oud-wielerploegleider Peter Post en voetbalcoach Louis van Gaal, hield Van Staveren vorige week zijn afscheidsoratie als hoogleraar Sport en Recht. Want vooral in de voetbalsport en de wielersport heeft Van Staveren baanbrekend werk verricht. Verdieping is het sleutelwoord. Getuige het verhaal dat hij vertelt naar aanleiding van het verzoek om medio jaren tachtig de sponsoring in de wielersport in goede banen te leiden.

,,Hein Verbruggen, in de jaren tachtig voorzitter van de profsectie van de internationale wielerunie, wilde meer rechtszekerheid en veiligheid voor de profwielrenner. Iedereen kon profwielrenner worden, als je maar een sponsor had. Desnoods de slager op de hoek. Die sponsor wilde alleen maar publiciteit, wat er met zijn renners gebeurde was hem worst. Renners reden, zoals het heet voor een broek en een trui. Ik ben als oud-sporter, gefascineerd door de sport, eens gaan wielrennen. Ik heb aan een gentlemankoers meegedaan, een wedstrijd tussen koppels van profrenners en liefhebbers. Ik heb aan den lijve ondervonden hoe gevaarlijk het is om als onervaren wielrenner in een peloton te rijden. Ik heb met wielrenners gesproken. Daardoor begreep ik waarom Verbruggen wilde dat wielrenners die toevallig werden gesponsord door de slager, allerminst bijdroegen aan de kwaliteit van het peloton en bovendien de veiligheid van de echte beroepsrenner in het geding brachten. Ik heb daardoor structuur aan kunnen brengen in de wielersport, zelfs internationaal. Sponsors hadden ook een verantwoordelijkheid.”

Zo onderzocht Van Staveren de commotie die ontstond begin jaren vijftig van de vorige eeuw toen in het Nederlandse voetbal het professionalisme ontstond. ,,De gezagsdragers meenden dat betaling ethisch onverantwoord was. Het zou verruwing of weet ik wat in de hand werken. De angst dat de sport zou ontsporen. Maar dat is al zo oud als het fenomeen sport bestaat. Begin vorige eeuw werd sport als onethisch en ongezond beschouwd. Totdat sociologen als Pestalozzi aantoonden dat sport en spel gezond is, de mensen vrijheid en blijheid geeft en zij zich daardoor kunnen ontwikkelen tot gezonde mensen. Natuurlijk betekent sport ook rivaliteit, zoals het heel vroeger in dorpen heerste. Het ene dorp tegen het andere, en wie won mocht als premie dansen met de meisjes van het vijandige dorp.”

Beroepssport was ongezond, zo meenden de bestuurders. Het zou leiden tot excessen, meer verruwing en schending van de spelregels. Alsof spelverruwing slechts het gevolg is van professionalisering. ,,Spelers die willen winnen doen alles om te winnen. Dat zit in de mens, niet in het verschil tussen liefhebberij of beroep. Prestatiedrift is in alle geledingen. Mensen willen winnen. Op welke manier dan ook. Dan haal je er nooit uit.”

Nu is het gebruik van stimulerende medicamenten aan de beurt. Nooit wordt de vraag gesteld waarom professionalisme of doping ethisch onverantwoord is. ,,Het begint met angst. Er worden geen vragen gesteld. Schizofrenie. Doping is om een of andere reden verboden. Duitse artsen hebben omstreeks 1950 geconcludeerd dat sporters die geneesmiddelen nemen die de prestatie bevorderen ongezond bezig zijn. Ach ja, die turnmeisjes mogen zich zonder medicijnen in de vernieling helpen. Dat is niet schadelijk. In diezelfde lijn beweegt zich de Raad van Europa en sinds juli 2007 de Europese Commissie: alles mag zolang het binnen de spelregels valt, maar zodra doping in het spel is, is er sprake van oneerlijke krachtmeting.”

Hysterie, noemt Van Staveren bijvoorbeeld de reactie van de Duitse politiek op het gebruik van doping. Maar niet alleen het Duitse antwoord stemt tot ontevredenheid. „De sportbonden hebben het voortdurend over oneerlijkheid. Men heeft het over bevoordeling door doping. Maar men heeft het niet over bevoordeling doordat de ene deelnemer zich veel beter heeft kunnen voorbereiden, beter voorbereiden door erfelijke genen, technisch materiaal of een andere methode. Doping heeft in beginsel niet te maken met de intrinsieke doeleinden van de krachtmetingen in de sport. Het zou raadzaam zijn de ongezondheid van doping af te meten aan de grenzen van gezondheid van door nationalisme en/of commercie gestimuleerde trainingsverplichtingen en trainingsmethoden voor kinderen en jongeren. Kortom: waarom is doping zo hot, en heeft misbruik van talent ontwikkeling zoveel minder aandacht?

Deze vraag wordt niet gesteld. Het gaat de sportbonden om het imago. Ze willen door het leven gaan als een symbool van gezondheid. ,,Het gaat er niet om of doping oneerlijk is, het gaat me er vooral om sporters die te pas en te onpas zich hebben gewend tot gebruik van bepaalde middelen. Zoals vroeger sporters – voetballers – die geld konden verdienen, geld kregen. Dat is onethisch.”

Van Staveren maakt zich in zijn laatste dagen als eerste hoogleraar Sport en Recht – de functie die hij heeft te danken aan de wielerfunctionarissen in de jaren negentig – zorgen over de huidige atmosfeer in met name de wielerwereld. ,,Hysterie. Zoals in Duitsland. Daar vragen ze zich kennelijk niet meer af, waar mensen doping gebruiken, welke trauma’s er nog heersen als gevolg van de de sportstructuur in de DDR. Wat ze er van hebben overgenomen. En wat denkt u? Het is overgenomen door de westerse landen, zoals Nederland. Doping mag niet, maar manipulatie van kinderen wel.”

Is Van Staveren de enige in de sportwereld die zich het lot van de ‘slachtoffers in de sport’ aantrekt? Hij verwijst naar het voormalige bestuurslid van het Nederlands Olympisch Comité en voormalig directeur van het Nederlands anti-dopinginstituut, Jan Loorbach. Hij hield een rede dit jaar tijdens een congres van het internationale anti-dopinginsituut Wada en ging nogal te keer tegen haar beleid, zoalsVan Staveren en eigenlijk de genuanceerde Nederlands sportwereld tegen doping aankeek. „Andersdenkenden worden niet serieus genomen. Ook in Duitsland waar kennelijk iedereen zich afkeert van aan doping gerelateerde sporters, zullen mensen met een andere visie op afstand wordem gehouden. Ze zijn er wel, maar ze krijgen geen aandacht.”

Het beleid van de sportbonden breekt, meent Van Staveren. ,,Je ziet het aan procedures met de wielrenners Bettini en Valverde. Ze kunnen niet langer geweerd worden van wedstrijden omdat ze alleen maar in verband worden gebracht met dopingpraktijken. Het is absurd dat mensen worden veroordeeld omdat wordt beweerd dat ze contacten hebben met artsen die ogenschijnlijk de wet overtreden.”

Van Staveren signaleert nog altijd het schisma dat door overheden wordt beleefd. „Sport is zoals vrijetijdsbesteding, dat doe je er naast. Zoals je vioolles neemt of balletles, met alle sores en zware inspanningen die erbij horen. Vragen de sportethici zich weleens af wat turnen, zwemmen, tennis en al die sporten van mensen vraagt. We maken ons druk of de wielrenner Rasmussen wel of niet doping heeft genomen. We veroordelen hem terwijl nog niets is bewezen. Stel dat u naar een concert gaat waarvan u weet dat de violist cocaïne neemt, blijft u weg? Het publiek heeft niets met ethiek. We verlangen naar het mooiste.”