Al een halve eeuw wachten op verbetering

De Nederlandse burgers ziet al een halve eeuw ruimtevoor verbetering van het politieke bestel. Dat de weinig revolutionaire wensen nog steeds niet in vervulling zijn gegaan, is eerder een verontrustende dan een geruststellende constatering.

Joop van Holsteyn

Universitair hoofddocent en bijzonder hoogleraar Kiezersonderzoek aan de Universiteit Leiden.

De meningen van de Nederlandse burgers blijken verdeeld te zijn. Naast redelijk positieve oordelen over ‘de politiek’ spreekt uit het onderzoek onvrede en ongemak. Met de stelling dat grote partijen één pot nat zijn, bijvoorbeeld, is niet minder dan 46 procent van de ondervraagden het eens. Een even grote groep van 48 procent geeft aan het ermee oneens te zijn, en 6 procent heeft of geeft geen mening. De stelling dat politieke partijen hun werk goed doen, kan op instemming rekenen van een grote minderheid van 47 procent, maar een nauwelijks kleinere groep van 40 procent is het ermee oneens. Meer eensgezindheid bestaat ten aanzien van de houding van leden van de Tweede Kamer. Twee op de drie ondervraagden laten weten dat Kamerleden te weinig rekening houden met wat kiezers willen. Slechts een kleine minderheid van bijna 20 procent spreekt deze aanzienlijke meerderheid tegen.

Klachten voldoende, kortom, over het functioneren van de Nederlandse democratie en politiek. Het mag dan ook geen verbazing wekken dat een partij als Democraten ’66 spectaculaire resultaten boekt en volop aandacht krijgt. Want de bovenstaande onderzoekgegevens komen niet uit het 21minutenonderzoek van 2007. De gegevens zijn afkomstig uit het eerste grootschalige landelijke verkiezingsonderzoek van Nederland, door de VU gehouden direct na de Tweede Kamerverkiezingen van 15 februari 1967.

Ongetwijfeld zullen verschillende gegevens uit het 21minutenonderzoek het politieke debat van een stevige nieuwe stimulans voorzien. Immers, de Nederlandse burger is verre van tevreden. Ook de hedendaagse. En dat doet ertoe, in een tijd dat – zoals midden jaren zestig? – gevestigde politieke partijen door nieuwkomers en concurrenten aan de flanken van het politieke spectrum worden uitgedaagd. Het zou echter een misverstand zijn te denken dat het onderzoek van 2007 wezenlijk nieuwe inzichten aan het licht heeft gebracht. Veel is eigenlijk al bekend, soms al erg lang.

Neem de vragen over politieke, bestuurlijke vernieuwing. Pal nadat het tweede landelijke referendum van Nederland van tafel is geveegd, is het interessant om te zien dat ongeveer 65 procent zich in zijn algemeenheid voor een raadgevend of bindend referendum uitspreekt. Trouwens, drie op de vier respondenten vindt dat de Nederlandse overheid de burgers sowieso meer moet betrekken bij het vormen van beleid. Maar dat was waarschijnlijk veertig jaar geleden niet anders, toen 60 procent zich uitsprak voor invoering van een referendum. In de afgelopen vier decennia is er keer op keer op keer een ruime of zeer ruime meerderheid voor deze vorm van volksinspraak en -invloed geweest. Tot 2005 was Nederland echter een van de vijf democratieën ter wereld waarin nooit een landelijk referendum was gehouden. Voorlopig zal Nederland waarschijnlijk een van de democratieën zijn waar de teller een tijdje op 1 blijft staan.

Andere wijzigingen die in 2007 op aanzienlijke steun kunnen rekenen zijn de gekozen minister-president en de gekozen burgemeester. Kennelijk zijn velen het belijden van het benoemingsprincipe boven het verkiezingsprincipe zat. In het 21minutenonderzoek geeft de helft van de deelnemers aan voor een premier te zijn die direct in aparte verkiezingen verkozen wordt, tegen 30 procent die zich ertegen uitspreekt. De pijnlijke ervaringen die Israël ermee heeft opgedaan zijn mogelijk niet tot iedereen doorgedrongen. Ook het onderzoek van 1967 bevatte de vraag naar de gekozen premier, en toen zag eveneens de helft van de ondervraagden hier wel wat in. Voor de gekozen burgemeester hetzelfde laken een pak. In 2007 is 51 procent voor verkiezing, veel liever door de inwoners van de gemeente dan door de raad, terwijl in 1967 53 procent zich voorstander van de gekozen burgemeester toonde.

Niet alleen bestaan sommige wensen tot verandering al erg lang, maar andere zaken worden en werden toch vooral geacht geen keer te nemen. In 2007 zowel als in 1967 is een heel kleine minderheid van ongeveer tien procent voor de afschaffing van het koningshuis en invoering van een republiek.

Een enkele keer lijkt de wens te veranderen in het verleden misschien breder gedeeld geweest te zijn dan nu. In 2007 blijkt een ruime meerderheid tegen een verhoging van de kiesdrempel te zijn om ervoor te zorgen dat alleen grote partijen nog in de Tweede Kamer zouden komen. Begin jaren vijftig deed het NIPO een groot opinieonderzoek in opdracht van een staatscommissie, waarin welwillender over zo’n plan werd geoordeeld. Op de vraag of er in Nederland te veel, te weinig of juist genoeg politieke partijen waren, gaf in 1953 een meerderheid (61 procent) het eerste antwoord: te veel. In die tijd was ook een grote minderheid van bijna 40 procent ervoor om het kleine partijen echt moeilijker te maken om een zetel te krijgen. Kom daar vandaag de dag nog eens om!

Niets aan de hand? Dat zou een veel te snelle conclusie zijn. De deelnemers aan het 21minutenonderzoek hebben althans hun aarzelingen en blijvende kritiek. Zo is ruim een derde deel van mening dat de Nederlandse democratie onder druk staat, voelt bijna de helft zich niet vertegenwoordigd in de politiek en meent een meerderheid dat te weinig invloed op het Nederlandse bestuur kan worden uitgeoefend. De meeste deelnemers vinden ook een evaluatie van het functioneren van de Tweede Kamer door een onafhankelijke instantie wenselijk – maar zou dat in 1967 anders zijn geweest, toen zo veel burgers dachten dat Kamerleden te weinig rekening hielden met de wensen van de kiezer?

Een slotopmerking om misverstanden te voorkomen. Dat veel van wat het 21minutenonderzoek heeft opgeleverd aan klachten en wensen ten aanzien van het functioneren van de Nederlandse democratie en politiek niet nieuw is, is een nuancering van deze recente bevindingen. Geen relativering.

Sterker nog, dat de Nederlandse burgers al een halve eeuw ruimte zien voor verbetering van het bestel en oude, bepaald weinig revolutionaire wensen nog steeds niet in vervulling hebben zien gaan, is eerder een verontrustende dan een geruststellende constatering. Ook democratisch geduld houdt wellicht een keertje op.