Zwak wordt zwakker en sterk wordt sterker

In een fatsoenlijk onderwijssysteem hangt het succes van een leerling niet af van zijn sociale herkomst.

Kennelijk is Nederland niet zo fatsoenlijk als het wil zijn.

De kwaliteit van het Nederlandse onderwijssysteem is niet onomstreden. Welbekend is bijvoorbeeld het twijfelachtige succes van een aantal recente onderwijshervormingen, de hachelijke staat van het lerarenberoep, en de beperkte aandacht voor het schaarse Nederlandse toptalent. Maar velen van ons geloven dat het Nederlandse onderwijs er gelukkig wel redelijk in slaagt niet te discrimineren naar de afkomst van de leerling. In een fatsoenlijk onderwijssysteem bestaat er immers geen directe relatie tussen de sociaal-economische kenmerken van leerlingen en hun onderwijsprestaties. De route door het Nederlandse onderwijs zou voor iedere leerling moeten worden bepaald door aanleg en talent, niet door sociale herkomst.

Maar helaas: dat beeld is pijnlijk onjuist. Ongelijke startposities van leerlingen vertalen zich nu juist in zeer ongelijke kansen. Gezaghebbend onderzoek van de OECD toont zonneklaar aan dat, anders dan in de Scandinavische landen en de VS, de sociaal-economische achtergrond van een leerling in Nederland juist van relatief grote invloed is op de schoolprestaties. Leerlingen uit lagere sociale milieus dringen in ons land relatief veel minder vaak door tot het hoger onderwijs, en lopen een relatief veel hoger risico op schooluitval.

De dreigende tweedeling laat zich als volgt kenschetsen. Er zijn veel scholen met vooral kinderen van laagopgeleide, vaak allochtone ouders. Daar hebben leerlingen moeite om geconcentreerd, gemotiveerd en geboeid de les te volgen. Er is vaak een groot verloop van leraren, en ouders zijn weinig of niet betrokken bij de school. Vaak overheersen de problemen die de leerlingen van huis uit meebrengen, en dat leidt tot de beruchte neerwaartse spiraal.

Daartegenover staan de vele scholen met vooral leerlingen uit de middenklassen, vaak van blanke, autochtone afkomst, die van huis uit een redelijk goede achtergrond mee krijgen en naar verhouding veel plezier hebben in hun school als ontmoetingsplaats en leeromgeving. Het zijn scholen waar de leerkrachten graag werken en waarbij de ouders kritisch betrokken zijn.

Nederland lijkt zo ernstig op weg naar een gesegregeerd onderwijssysteem. Zwakkere leerlingen belanden in een homogene leeromgeving waar de mogelijkheid ontbreekt zich aan sterkere klasgenoten op te trekken. Volgens de Onderwijsraad is juist onder leerlingen uit lagere sociale milieus dan ook relatief vaak sprake van onbenutte talenten. Wie in Nederland voor een dubbeltje geboren wordt, schopt het zelden tot een kwartje.

Dat is schokkend nieuws. Nederland faalt in de realisatie van een van de kernopgaven die wij onszelf hebben gesteld: gelijke kansen voor iedereen. Geen land dat uitsluitend toekomst heeft als een kenniseconomie, kan zich dat permitteren.

Hoe valt te verklaren dat wij zo tekort schieten? De OECD merkt op dat landen als Nederland en Duitsland, waar het onderwijs sociaal-economische verschillen eerder versterkt dan afdempt, zich kenmerken door relatief sterke differentiatie tussen scholen. Bovendien kent het Nederlandse onderwijssysteem een vroege voorselectie. Kinderen worden al rond de 12 jaar gedwongen tot schoolkeuzes die hun toekomst verregaand beïnvloeden. Ondanks het bestaan van zogeheten brede scholengemeenschappen blijft er vaak sprake van gescheiden vestigingen en gescheiden organisaties die de leerlingen met de betere cito-scores voorselecteert voor het algemeen vormende traject, en de leerlingen met de mindere cito-scores voor het beroepsvoorbereidende traject. Daardoor groeit de kans dat een achterstandsleerling op een school belandt waar dergelijke leerlingen in de meerderheid zijn.

Door het gebrek aan verbindingen tussen het algemeen vormende en het beroepsvoorbereidende traject worden leerlingen die naar het vmbo gaan daar als het ware opgesloten. De fusie van lbo en mavo heeft de kloof tussen beide trajecten nog groter en dieper gemaakt. De route naar de havo via het tweede jaar mbo, die ervoor in de plaats is gekomen, is niet alleen langer en dus hoogdrempelig, maar blijkt in de praktijk ook gepaard te gaan met achterstanden op theoretisch vlak die de succeskansen van doorstromers alleen maar schaden.

Dat is des te schrijnender omdat uit onderzoek en uit de onderwijspraktijk blijkt dat het streven naar meer gelijke kansen heel goed kan samengaan met het streven naar uitmuntendheid. Het creëren van meer mogelijkheden voor zwakkere leerlingen om zich aan sterkere klasgenoten op te trekken hoeft de prestaties van de betere leerlingen niet aan te tasten. Het is dan ook niet verrassend dat meerdere Europese landen – Finland voorop – onderwijssystemen kennen die niet alleen eerlijker zijn dan het Nederlandse, maar die ook leiden tot hogere gemiddelde leerlingenprestaties.

Wat kunnen wij van dergelijke landen leren? Het veelgeprezen Finse systeem kenmerkt zich door een combinatie van hoge normen en standaarden met een decentrale uitvoeringspraktijk, die schoolleiding en leraren ruimte biedt voor professioneel maatwerk. Het minste wat ons te doen staat is om de routes die ooit laatbloeiers een herkansing boden door een stapeling van diploma’s toe te staan, zo snel mogelijk in ere te herstellen. Daarnaast moet worden bevorderd dat atheneum-, havo- en vmbo- leerlingen in elk geval tijdens de eerste jaren van het voortgezet onderwijs in sommige vakken samen les krijgen en elkaar tegenkomen in gemeenschappelijke ruimtes.

Maar daar kan het niet bij blijven. Het falen van ons onderwijs als schepper van gelijke kansen vraagt om herbezinning op de uitgangspunten van ons systeem, niet per se onderweg naar de zoveelste blauwdruk, maar op zoek naar een benadering die de volledige benutting van ieders talenten veilig stelt. Met minder mogen wij niet genoegen nemen.

Alexander Rinnooy Kan is voorzitter van de Sociaal-Economische Raad.

Internationale vergelijkingen van leerlingenprestaties staan op pisa.oecd.org