Zuckerman rouwt

Wanneer krijgt Philip Roth nu eindelijk de Nobelprijs? Aan de vooravond van de uitreiking van de belangrijkste literaire prijs ter wereld publiceert de 74-jarige Amerikaan een sleutelwerk in zijn oeuvre.

Philip Roth: Exit Ghost. Vintage Books, 304 blz. € 24,–. Een Nederlandse vertaling, Exit Geest, door Ko Kooman verschijnt op 20 oktober bij De Bezige Bij, 228 blz. € 18,90

In 2005 publiceerde biograaf Stephen G. Kellman Redemption, een biografie van Henry Roth. Dat boek deed veel stof opwaaien, omdat Kellman leven en werk van de even mysterieuze als mythische schrijver reduceerde tot één lange worsteling met de incestueuze relatie die hij in zijn jeugd onderhield met zijn zuster. Die gedeelde jeugdzonde zou niet alleen de aanleiding zijn geweest voor Roths meesterwerk, Call It Sleep, dat topstuk van het Amerikaanse modernisme, maar ook de oorzaak van zijn daaropvolgende decennialange zwijgen.

Roths naamgenoot, Philip, maakt het postume lot van de schrijver van Call It Sleep tot een belangrijk onderwerp in zijn nieuwe roman Exit Ghost. De biograaf heet daarin niet Kellman maar Kliman en de te ontluisteren schrijver is niet Henry Roth maar E.I. Lonoff, het grote voorbeeld van Philip Roths herintredende karakter Nathan Zuckerman. Maar verder zijn de overeenkomsten duidelijk en al gauw blijkt dat Philip Roths laatste boek niet alleen gaat over de sloop van Lonoffs reputatie, maar ook over de lichamelijke aftakeling en de ontluistering van de oude schrijver Nathan Zuckerman, en meer nog, misschien wel vooral, over de aftakeling en ontluistering van de literatuur. Ja, als Exit Ghost iets is, dan is het een grafrede voor de serieuze literatuur, een lamento bij het in de nevelen verdwijnen van de literatuur als kunstvorm – en een aanklacht tegen een wereld waarin tijdelijkheid, gebabbel en snel succes het hebben gewonnen van ernst, diepte en traagheid.

En daarom gaat Exit Ghost ook nadrukkelijk niet over de tragedies van onze tijd. Al na vijftien pagina’s maakt Nathan Zuckerman, voor het eerst in zeer lange tijd weer in New York, aanstalten om naar dat haast verplichte bedevaartsoord, Ground Zero, te gaan. Maar: ‘I never made it to the subway. […] Instead, after crossing the park, I found myself in the familiar rooms of the Metropolitain Museum, wiling away the afternoon like someone who had no catching up to do.’ Later zegt hij dat de stad hem alleen nog maar datgene kan bieden waar hij geen behoefte meer aan heeft. En dat is: Hier en nu, toen en nu, het begin en het einde van nu.

Het lijkt alsof Roth zich daarmee afkeert van een gevoel voor actualiteit dat altijd een factor is geweest in zijn werk. Die gevoeligheid leidde in de roerige jaren zestig tot boeken over Nixons bizarre presidentschap (Our Gang) en in de jaren negentig tot een roman over het verzwegen burgerlijke racisme en antisemitisme in de VS (The Plot against America). Maar actualiteit is voor Roth altijd méér geweest dan zomaar een aanleiding voor een boek. Wat leek op aandacht voor het hier en het nu, was uiteindelijk niet meer dan een facet van zijn grotere plan: de verkenning van Amerika en het Amerikaanse, de beschrijving van en het onderzoek naar iets dat je de condition americaine zou kunnen noemen. Het is daarom ook dat hij het predicaat van ‘joodse schrijver’ steeds verwerpt. De jood is voor Roth een pars pro toto. In de VS, waar iedereen zijn identiteit moet verliezen om een nieuwe aan te nemen en de oude weer te herontdekken, is anders-zijn nog steeds normaler dan in Europa. En daarover, die Amerikaanse vorm van anders-zijn, schrijft Roth.

De andere kant van Roths schrijversschap, de niet-actuele kant, is ook onverbrekelijk verbonden met het onderzoek naar ‘het Amerikaanse’. Je kunt zeggen dat het algemene van de Amerikaanse geschiedenis particulier wordt in de romans waarin hij zich over de condition humaine buigt, bijvoorbeeld in het magistrale Everyman (leven en sterven van een dramatisch gewone man) of in Patrimony, het roerende verhaal van zijn vaders einde. De instrumenten die hij tijdens dat onderzoek gebruikt zijn eros en thanatos. Daarmee ontleedt hij het psychosociale complex van de 20ste eeuw.

Dat is het best te zien in een boek als Portnoy’s Complaint (1969), dat Roth in één klap wereldberoemd maakte. De roman schildert het kafkaëske seksuele universum van Alexander Portnoy. Het is in veel opzichten de Catcher in the Rye van de jaren zestig, al was het maar vanwege het razende parlando. Maar Portnoy's Complaint is een eerlijker boek. Terwijl Salinger wegdrijft in romantiek met een plezierig zwart randje, laat Roth geen ruimte voor puberaal gezwijmel. Hier geen Holden Caulfield die geroerd wordt door kleine meisjes, maar een bezeten Alexander Portnoy die het middageten van zijn familie neukt.

Werd Roth na Goodbye, Columbus vanuit joodse kring aangevallen vanwege zelfhaat en nestbevuiling, Portnoy's Complaint bleek koren op de molen van slechte lezers die maar bleven denken dat dit boek de cumulatie was van de seksuele revolutie. De toon, een soort Lenny Bruce-achtige monoloog, is er vast debet aan dat veel mensen nooit verder keken dan het verhaal lang was en daardoor niet zagen dat de clown Portnoy hartverscheurend huilde. Zoals Everyman het verhaal is van het verval en de futiliteit van het menselijk bestaan van alleman, zo gaat Portnoy’s Complaint over de seksuele mens die wij in de vorige eeuw werden en over hoe slecht dat seksuele bouwwerk paste op ons psychologische fundament.

Hoewel het lijkt alsof Exit Ghost het slotwoord is van een vermoeide schrijver die zich heeft afgewend van de waan van de dag, moet je eerder zeggen dat in deze roman de condition humaine en de condition americaine over elkaar zijn komen te liggen. Samen vormen ze de kaart van het gebied waar de schrijver Philip Roth een leven lang heeft rondgelopen. Dat de schrijver zelf van dit boek heeft gezegd dat het zo somber is dat er een nieuwe kleur zwart voor uitgevonden moet worden, zegt iets over de conclusies die hij in dit sleutelwerk trekt.

Nathan Zuckerman heeft ‘de stad’ elf jaar geleden verlaten, moe van het gejaag en geraas, moe van alles, maar ook bang. Voor zijn vertrek heeft hij een aantal antisemitische dreigbrieven ontvangen en min of meer in een opwelling heeft hij besloten zich terug te trekken. Hij vestigt zich in de Berkshires, op een berg, in een huis aan een zandpad met een geweer onder zijn bed. Ziekte drijft hem terug. Na een prostaatoperatie is hij incontinent en impotent en het is die eerste aandoening die hij wil laten verhelpen.

Zuckerman zweeft, nee: dwaalt, in New York tussen hoop en vrees, tussen heden en verleden. Als hij ’s avonds eet in het Italiaanse restaurant waar hij vroeger kwam, is het alsof hij nooit weg is geweest. Alles is herkenning en thuiskomen en in die stemming doet Zuckerman waar hij altijd bekend om stond: hij neemt een beslissing zonder na te denken. Hij reageert op een advertentie uit de New York Review en regelt nog die avond een woningruil met een jong schrijvend echtpaar. Zij gaan een jaar voor de rust in zijn huis wonen (om het post-9/11-gevaar te ontvluchten), en hij zal hun appartement in New York betrekken.

Maar dan ontmoet hij een oude bekende.

Amy Bellette, nu een schuifelende kankerpatiënte in een ziekenhuisjurk, was veertig jaar geleden de jonge schoonheid die Zuckerman ontmoette in het huis van schrijver E.I. Lonoff. Destijds deed zij hem denken aan Anne Frank, zozeer dat hij ’s avonds in een geïmproviseerd bed in Lonoffs werkkamer fantaseerde dat zij werkelijk Anne Frank wás. Op de een of andere manier had zij de oorlog overleefd, zonder haar ware identiteit ooit te onthullen. De bekendheid van ‘het dagboek’ weerhield haar daarvan. Maar nu zou Nathan Zuckerman het met haar aanleggen. Hij zou haar meenemen naar huis en als zijn moeder vroeg wie zijn nieuwe vriendin toch was, dan zou hij zeggen: ‘Het is Anne Frank, moeder!’

Lang geleden was zij de ultieme joodse jongensdroom; het enige meisje dat goed genoeg zou zijn voor je ouders. Nu is ze een 75-jarige oude dame met een kaalgeschoren hoofd en de krul van een litteken op haar schedel.

Net als Amy worstelt Nathan Zuckerman met zijn ziekte en de ziekte van de tijd waarin hij leeft. In Zuckermans geval kun je zeggen dat incontinentie, die niet genezen zal worden, gelijk opgaat met de incontinentie van tijd, van de cultuur en de literatuur. Dat wordt samengebald in het terugkerende beeld van bellende mensen, lopend, zittend, eten, rijdend, en in de figuur van Richard Kliman, de agressieve biograaf die hem achtervolgt als de incarnatie van eerdere urgente gekken uit het verleden van Zuckerman.

Waar de bellers Zuckerman, die van zijn berg is afgedaald, nog verbazen en amuseren, is de stalkende vertegenwoordiger van ‘de werkelijkheid’ een apocalyptisch visioen van het einde van de literatuur als serieuze kunstvorm. Het commentaar daarop vat Roth samen in een ingezonden brief die Amy Bellette, bevangen door de geest van E.I. Lonoff, schrijft: ‘There was a time when intelligent people used literature to think. That time is coming to an end.’ Om vervolgens breed uit te meten hoe de literatuur als kunstvorm ten onder gaat in de tabloid gossip van ‘culturele journalistiek’. Het gaat niet meer om het werk, betoogt Bellette, maar om de relatie van het boek tot wat er echt gebeurd is, wat de schrijver zijn vrouw, dochter, moeder, vader, vriend, uitgever of huisdier misdaan heeft. ‘Als ik zou beschikken over Stalins macht,’ schrijft Amy Bellette aan de New York Times, ‘dan zou ik die niet verspillen door schrijvers met verbeeldingskracht het zwijgen op te leggen. Ik zou hen die schrijven over schrijvers met verbeeldingskracht doen zwijgen. Ik zou elke publieke discussie over literatuur in kranten, tijdschriften en wetenschappelijke bladen verbieden. Ik zou literatuuronderwijs op elke basisschool, middelbare school en universiteit in dit land onwettig verklaren. […] Ik zou de lezers alleen laten met hun boeken, zodat zij er zelf iets van kunnen vinden.’

Exit Ghost is een luid en duidelijk coda in het leven van Roths zeer literaire alter ego Nathan Zuckerman. Het is een roman waarin de hoofdlijnen van Roths schrijverschap elkaar ontmoeten en versterken. Het is vooral een bevlogen roman over de aftakeling van onze cultuur, een boek dat het verdient om de toon en de inhoud van het literaire gesprek nog lang te bepalen. Hoewel Amy Bellette natuurlijk al lang niet meer gelooft dat zo’n serieuze discussie over literatuur nog kan worden gevoerd.