Wat heeft Aeschylus te maken met Auschwitz?

Kort geleden stonden in alle kranten opeens foto’s uit het teruggevonden fotoalbum van SS- Obersturmführer Karl Höcker, van mei 1944 tot januari 1945 adjudant van de kampcommandant van Auschwitz. Alle foto’s waren in deze periode genomen, de meeste niet in Auschwitz zelf maar in een nabijgelegen ontspanningsoord van de SS, de ‘Solahütte’. Op de foto’s zien we uitgelaten en – inderdaad – ontspannen mannen en vrouwen. Ze zingen, eten bessen, schrikken van de regen die onverhoeds uit de hemel valt, drinken een glas, luisteren naar de accordeon en lachen wat af. Een schoolreisje voor volwassenen. Alleen de uniformen verwijzen naar de werkelijkheid, die je erbij moet denken: de selecties, de gaskamers, de crematoria en al het overige gruwelijks, waarvan de mensen op de foto’s even vrijaf hebben gekregen.

Onmiddellijk denk je aan Hannah Arendts ‘banaliteit van het kwaad’ of aan Christopher Brownings ‘gewone mensen’ of desnoods aan Daniel Jonah Goldhagens ‘gewillige beulen’. Dat de daders van de Holocaust of de Shoa geen sadistische monsters zijn geweest, althans niet in de regel, is tegenwoordig een gemeenplaats die geen verbazing meer uitlokt. Bij deze foto’s is het anders. Je wordt met je neus op de feiten gedrukt en speurt onwillekeurig de gezichten af: is er echt niets te zien van wat men op het geweten heeft? Bij sommige mannen vallen de speknekken op, het opgeschoren haar, sinister – totdat ik me realiseer dat dit natuurlijk ook clichés zijn, meer behorend bij de Pruisische Officier dan bij de Kampbeul overigens. In de meeste gevallen is er niets te zien, behalve genoegen en vertier.

Blijft de verbazing. Wat moet je ermee, te midden van het dagelijkse nieuws in de krant? Even wachten, dan gaat het weer over. Tenzij je toch een van die beroemde studies over de daders uit de kast trekt. Maar wie de ervaring achter de foto’s zoekt, kan zich beter tot de literatuur wenden. Bij de daders van 1933-1945 staat ons ook niet veel anders ter beschikking. Zelf hebben ze meestal gezwegen en als ze hun mond open deden, was dat – in gevangenschap, tijdens hun proces – om zich te verdedigen. Geen erg betrouwbare getuigen dus.

Nu heeft de literatuur zich niet bepaald massaal op het onderwerp gestort, wat begrijpelijk is: wie zich volledig blijkt te kunnen inleven in een massamoordenaar geeft ook over zichzelf iets onaangenaams prijs. Boeken over de daders stemmen altijd ongemakkelijk. Gelukkig heeft dat de Amerikaanse Fransman Jonathan Littell niet ervan weerhouden om zijn roman Les Bienveillantes te schrijven; hij won er vorig jaar de Prix Goncourt mee. Sinds ik de foto’s van Höcker in de krant heb gezien (en het hele album op de website van het Holocaust Memorial Museum in Washington), lees ik in Littells roman, die bijna 900 dichtbedrukte pagina’s telt.

We maken kennis met Maximilien Aue, SS-officier en lid van een van de Einsatzkommando’s, die in Rusland achter de frontlinie joden, zigeuners en bolsjewieken liquideerden. Later zal hij ook nog in andere functies meewerken aan de Endlösung der Judenfrage, maar zover ben ik nog niet. Geen detail wordt ons onthouden, hoe afgrijselijk ook, het is horror in cinemascope, overweldigend. Aue struikelt over de lijken, het bloed spat in het rond, maar hij zit soms ook gewoon met zijn collega’s een hapje te eten of een glaasje te drinken. En op zeker moment mag hij naar de Krim, om op verhaal te komen. Wie weet doet hij, in een latere fase, ook nog de Solahütte aan.

Over zichzelf zegt hij: ‘Ik heb nergens spijt van: ik heb mijn werk gedaan, dat is alles’. Te rechtvaardigen valt er dus niets, vindt deze gepromoveerde jurist. Hij erkent zijn schuld, maar gelooft tegelijkertijd dat onder gelijke omstandigheden iedereen hetzelfde zou hebben gedaan. In een ‘totale oorlog’ heeft men het nu eenmaal niet voor het uitkiezen; er zit weinig anders op dan je plicht te doen. Dat klinkt als Befehl ist Befehl – de klassieke smoes van alle oud-nazi’s. Maar zo gemakkelijk heeft Littell het zichzelf niet gemaakt. Daarvoor is zijn hoofdpersoon te uitzonderlijk.

Aue vertelt over zijn homoseksuele voorkeuren en dat hij eigenlijk een vrouw zou willen zijn, uit liefde voor de ene, onbereikbare vrouw die hij in zijn jeugd heeft bemind. Dat klinkt behoorlijk excentriek, maar excentriekelingen, redeneert Aue, vind je in alle professies, waarom dan niet bij de SS – zijn excentriciteit doet dus niets af aan de normaliteit van het geheel.

Toch identificeert hij zich met geen van de drie categorieën waarin hij de daders verdeelt: hij moordt niet uit ‘wellust’, ook niet alleen uit ‘plicht’, en hij is evenmin een slager voor wie de joden ‘beesten’ zijn die moeten worden afgemaakt. Waarom doet hij dan mee? Dat blijft raadselachtig, al vernemen we wel dat een ‘passion de l’absolu’ hem al op jonge leeftijd in de ban sloeg; daarop berust nu zijn nationaal-socialisme. En verder is er zijn ‘curiosité’, zijn nieuwsgierigheid naar het extreme en vooral naar zijn eigen reactie daarop: zichzelf ziet hij als de camera én als degene die wordt gefilmd. Dit laatste definieert tegelijk de houding van de schrijver, die zijn hoofdpersoon gebruikt om ook zelf de gruwel zo volledig mogelijk in de ogen te zien.

Wat je dan ziet? Bij Littell in elk geval waanzinnig véél, en uit de recensies heb ik begrepen dat ik als lezer straks met vaste hand het tragische labyrint zal worden ingestuurd. Maximilien Aue is al een keer vergeleken met Orestes, de mythische moedermoordenaar en broer van Electra. De titel van de roman wijst in dezelfde richting: de ‘Bienveillants’ zijn de Eumeniden, een eufemistische benaming voor de Griekse wraakgodinnen met wie Orestes het in de tragedies van Aeschylus aan de stok krijgt. Dat belooft wat.

Iets anders is of het ook waar is. Zijn de daders van de Holocaust werkelijk tragische protagonisten geweest? Het tragische veronderstelt schuld, verscheurdheid, een onontkoombaar noodlot. Bij de excentrieke Aue herken ik de voortekens, maar in het album van Höcker bespeur ik er niets van. Welke speciale ervaring verbergen deze foto’s dan? Misschien wel geen enkele. Misschien was de overgang van slachthuis naar schoolreisje voor de mensen op de foto’s niets bijzonders, gewoon een welverdiend uitje na al het harde werk. Met de verbazing daarover weet zelfs de literatuur blijkbaar geen raad – en grijpt ouder gewoonte naar de tragedie.