‘Vriend, jij belazert de boel’

Marc Lammers (38) coacht de Nederlandse hockeysters die vorig jaar de wereldtitel wonnen. In zijn boek, dat vandaag verschijnt, schrijft hij ook over zijn innovaties. Een voorpublicatie.

Het idee voor de ‘open communicatie’ met mijn speelsters deed ik op in 2002, toen ik als gast van de Rabobank een dagje mee mocht rijden in een van de volgwagens tijdens de Ronde van Frankrijk. Het was me al eerder opgevallen dat wielrenners via een oortje in contact stonden met hun ploegleiders. Zo hielden ze elkaar op de hoogte van de ontwikkelingen in de koers en waren ze in staat om snel te anticiperen. Toen ik de voordelen van die directe communicatie van nabij zag, wist ik genoeg: dat moest en wilde ik ook als bondscoach van de Nederlandse hockeysters.

Langs de lijn schreeuwde ik vaak de longen uit mijn lijf, met als bijkomend en niet onbelangrijk nadeel dat de concurrentie ook kon meeluisteren en vrijwel meteen kon reageren op mijn aanwijzingen. Met de introductie van zo’n ‘wieleroortje’ zouden wij in één klap van dat euvel verlost zijn. Communiceren tijdens een wedstrijd deed ik tot dan toe vooral met mijn assistenten, die zich meestal boven op de videotoren bevonden, achter een van beide doelen. Mede op basis van hun bevindingen instrueerde ik mijn speelsters welke variant ze moesten spelen bij een strafcorner. Wij hadden gezien waar de ruimte lag en hoe de keepster en de lijnverdedigsters uitliepen, mijn speelsters niet. Voor een optimale uitvoering van de strafcorner zijn zij immers gedwongen hun ogen voortdurend op de bal te houden.

Een strafcorner laat zich vergelijken met een schaakspel. Als coach kun je in korte tijd oplossingen aandragen voor specifieke situaties. Op andere facetten van het spel, zoals het benutten van scoringskansen in het veld, heb je als coach tijdens een wedstrijd veel minder invloed. Dat heeft vooral tijd en ervaring nodig. Voor elke van de in totaal 38 cornervarianten hadden we een bepaald teken afgesproken, zoals honkballers dat ook doen. Het was de geheimtaal van coach en spelers. Maar ook hier keek de concurrentie uiteraard mee. Sterker nog: Argentinië bleek, zo ontdekte ik na verloop van tijd, een heuse studie te hebben gemaakt van mijn arsenaal aan tekens en gebaren met als gevolg dat hun keepster op een gegeven moment slechts naar de zijlijn hoefde te kijken om aan mijn handgebaar af te lezen welke strafcornervariant haar te wachten stond.

Zo zouden we natuurlijk nooit wereldkampioen worden, besefte ik. Samen met videoman Lars Gillhaus heb ik toen contact opgenomen met Phonak, een bedrijf dat gespecialiseerd is in gehoortoestellen. Zo kwamen we in het bezit van die later beruchte ‘oortjes’. In het diepste geheim zijn we met dat hulpmiddel gaan trainen en wedstrijden spelen in de aanloop naar het wereldkampioenschap dat eind november, begin december 2002 in Perth zou worden gehouden. Met een aantal ‘dragende’ speelsters, onder wie onze aanvoerster Mijntje Donners en strafcornerspecialiste Ageeth Boomgaardt, stond ik rechtstreeks in contact. Van belang was dat ik op de bank niet al te openlijk blijk gaf van het feit dat dit contact er was. Ik moest dus een beetje murmelen en af en toe mijn hand voor mijn mond houden.

Het systeem werkte, wonderwel zelfs. Vooral in het geval van wat in hockeytermen ‘standaardsituaties’ worden genoemd, zoals strafcorners en vrije slagen, kon ik mijn ploeg attenderen op de ruimte en daarmee op de mogelijkheden. Het geavanceerde systeem verschafte ons een voorsprong op onze concurrentie. Dat is waar topsport om draait. Schuldig voelde ik mij niet, integendeel zelfs. Je doet, als coach en als speler, alles wat binnen de mogelijkheden ligt om de ander af te troeven. Dat is de essentie van topsport. En verboden waren die oortjes niet, blijkens het spelregelboek van de FIH. Nog niet, in elk geval.

Na onze derde WK-wedstrijd kwam een Engelse journaliste, Cathy Harris van The Times, naar me toe met in haar hand een closeupfoto van Ageeth Boomgaardt. Het oortje was duidelijk zichtbaar. Het angstzweet brak me uit. ‘Doof en toch zo goed kunnen hockeyen, dat is knap’, zei ze. Ik verschoot bijna van kleur, maar hield me wijselijk in. Twee dagen later kwam Harris opnieuw op me af, grijnzend en wel. ‘Ik heb jou door, vriend. Je bent de boel aan het belazeren. Acht dove speelsters, dat is onmogelijk.’ Daarop heb ik haar het verhaal uit de doeken gedaan. Maar Harris was uiteraard niet de enige die argwaan had gekregen. Bij een WK wemelt het van de camera’s en dus was het een kwestie van tijd voor ons geheim zou uitlekken. Toen dat uiteindelijk gebeurde, halverwege het toernooi, moest ik prompt op het matje komen bij de organisatie.

Marc Lammers (met medewerking van Mark Hoogstad): Coachen doe je samen. Uitgeverij Tirion, Baarn, €19,95