Uitsluiten mag bij vermoeden bouwfraude

De overheid mag aannemers die verdacht worden van bouwfraude maar daarvoor nog niet onherroepelijk veroordeeld zijn, uitsluiten van opdrachten.

Dat blijkt uit een vonnis van de Raad van Arbitrage voor de Bouw. De raad oordeelde vorige week dat de Zuid-Hollandse gemeente Vlist terecht weigert een opdracht te geven aan wegenbouwbedrijf Van Ooijen uit Gouda. De gemeente wil geen zaken doen met de bouwer, omdat justitie een ambtenaar uit Vlist verdenkt van het aannemen van smeergeld van het bedrijf. In ruil zou Van Ooijen van de ambtenaar rekeningen voor gemeenteopdrachten hebben mogen verhogen. De zaak moet nog voorkomen bij de rechtbank.

Het is voor zover bekend de eerste keer dat een bouwbedrijf voor zulke feiten wordt uitgesloten van een overheidsopdracht, terwijl de onderneming nog niet onherroepelijk veroordeeld is. „Dit is nog nooit gebeurd”, zegt advocaat H. Grijpink van het wegenbouwbedrijf. „Tot nu toe was je in dit land onschuldig zolang je niet veroordeeld bent.”

De aannemer stapte naar de Raad van Arbitrage toen de gemeente hem een opdracht niet wilde gunnen, hoewel hij als laagste voor dit werk had ingeschreven. De aanbestedingsregels schrijven voor dat het werk gegund moet worden aan de laagste inschrijver.

Daar kan echter van worden afgeweken als de aannemer in de uitoefening van zijn beroep een „ernstige fout” maakt. Volgens de raad is daar sprake van. Ambtenaar en bedrijf hebben de onregelmatigheden toegegeven, maar zijn daarvoor (nog) niet veroordeeld.

De arbiters stelden de gemeente in het gelijk omdat zij „van oordeel [zijn] dat van een aanbesteder in gemoede niet kan worden verlangd dat zij een werk gunt aan een bedrijf dat erkent haar zelf bij de uitvoering van eerder werk te hebben opgelicht en de ontdekking daarvan tegenover haar heeft verzwegen.” De gemeente was over de corruptie getipt door justitie. Dit is sinds 2003 wettelijk mogelijk.