Succesfactor 22

Kunst kopen is geen eenvoudige zaak als je niet bent ingewijd in de codes van het wereldje. De argeloze bezoeker stuit op gesloten deuren, stille ruimtes en reeds verkochte werken. „Dit is hopeloos.”

Foto’s van gordijnen door Johannes Schwartz, galerie Van Zoetendaal Nederland, Amsterdam, 29-09-2007 Het kantoor van 'Van Zoetendaal Gallery' met 2 werken van Johannes Schmitz aan de muur. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Cremers, Roger

Drempelvrees. Geen zin meer. De eenvoudige handeling die ik moet verrichten is een galerie binnenstappen. Ik heb er al zo’n tien bezocht deze middag, maar hier, op de Elandsgracht in Amsterdam, is het druk. Winkels. Terrasjes. Mensen. Leven! Zij wel. Mij gaapt de gewijde witte stilte van een pijpenla aan. De deur dicht, binnen geen mens te zien. Na enig drentelen open ik de deur. Ik wil wat kopen. Maar had ik het ook gedaan als ik dit stuk niet wilde gaan schrijven?

Hoe koop je eigenlijk kunst? Dat is nog niet zo eenvoudig. Deze zomer erfde ik van mijn oudoom Arend 2700 euro. Met zijn geld ga ik op zoek.

Ik besef meteen dat mijn smaak is verpest door museumbezoek. In musea hangt wat je echt wilt hebben: Francis Bacon of Caravaggio, Beckman of Goya. Dat is onbetaalbaar en daar is de posterindustrie voor uitgevonden. Het grootste probleem van kunst kopen is derhalve dat alleen wat minder mooi is binnen je financiële bereik valt – terwijl de aanschaf duur blijft.

Speuren op internet is een mogelijkheid en je kunt naar veilingen. De rush die je krijgt van bieden is enorm, bijna als bij cocaïne, maar het aanbod op veilingen is aan de traditionele kant. Veel naturalistisch werk en veel van de allerpopulairsten: Heyboer, Appel, Corneille en Constant. Ik ben heus dol op mijn kleurenhoutsnede van Daniël den Dikkenboer, na vasthoudend doorbieden voor 250 euro weggekaapt voor de neus van een tegenbieder, maar nu zoek ik wat avontuurlijkers.

Dat maakt een tocht langs galeries logisch. Galeries zijn tenslotte kunstwinkels, is mijn naïeve veronderstelling, waar je makkelijk tegen iets ongewoons aanloopt.

Op een zaterdagmiddag volg ik de Amsterdamse tentoonstellingsagenda, een folder met gegevens van 63 galeries en een handige kaart. Ik begin op de Lijnbaansgracht, bij galerie Akinci, waar werk hangt van Charlotte Schleiffert. Ruige manvrouwen, geschilderd op lappen papier van drie bij anderhalf, die met spelden aan de muur hangen. De ruimte is hoog, maar nog zit het papier aan de onderzijde en bovenzijde gekruld tegen vloer en plafond. Dat is een statement – heb geen overdreven ontzag voor kunst – zeker als het werk 9.000 euro kost.

In Hannah and her sisters van Woody Allen zit een scène met een patjepeeër die kunst wil kopen en alleen denkt aan het formaat: ‘I need big paintings, cause I got lots of big empty walls!’ Helaas biedt het gemiddelde Nederlandse woonhuis geen hoge wanden. Wat Schleiffert maakt is gewoon te groot voor de gemiddelde koper, als je er geen repen wilt afsnijden. De paar werken die wél op een huiskamermuur passen (rond de 2,10 meter) zijn al verkocht – al kan dat ook liggen aan de lagere prijs van 7.000 euro.

De galeries Vous Etes Ici en Lumen Travo, even verderop, zijn voordeurdelers. Bij de eerste is de iconografische galeriehouder het leukst: knalroze colbertje, designerbril en ongeschoren. Zo hoort het. Ook de expositie speelt in op de verwachtingen van de modale mens: Ab van Hanegem maakt abstracte doeken van de gladdere soort. En ouder echtpaar is blijkbaar al tot koop overgegaan. „Wat is eigenlijk je transportfirma”, informeert de man. „Want ik kan hier niet komen met de auto.”

Staand voor een doek legt de galeriehouder uit hoe Van Hanegem werkt. „Hij zet het op met dweilen en trekkers. Dan smijt hij met verf, à la Pollock, en gaat vervolgens op basis van een plattegrond aan het schilderen.”

Bij Lumen Travo ligt, zacht op pakpapier, een handgranaat. Een zachtgroene, kunststof granaat met een lus – als een kerstbal. Oplage 120, kost 300 euro. Geinig en betaalbaar. Op de prijslijst staan er al meerdere rode stipjes bij. Maar een complicerende factor bij kunst kopen is de partner van de koper. Zou ik S. een plezier doen met een handgranaat?

De Lijnbaansgracht kent nog meer galeries. In 25 Limited hangen kleine tekeningen, alle voor minder dan 1.000 euro. De hoogglans ansicht van de tentoonstelling oogt echter aanlokkelijker dan de potloodtekeningen met over elkaar geplakte stukjes papier, dat handenarbeiderig aandoet.

Een straat verder bevindt zich galerie Smits, stil, wit, klein. Een vriendelijke man achter een tafel groet. Hij leest de krant. Veel galeries hebben een balie, en fungeren tevens als kantoor, maar er wordt ook veel de krant gelezen in het galeriewezen. Er is niemand en het voelt alsof er niemand zal komen. Ik bekijk de handvol schilderijen, abstracten van Jeroen Vrijsen. Niet mijn ding, maar ik talm – snel vertrekken voelt onbeleefd –, pak de prijslijst erbij, nog één rondje. Ga dan naar buiten.

Met één voet buiten treft de stem van de galeriehouder me in de rug. „Ik heb nog wel deze boekjes, als u wilt?” Het is te vriendelijk. Ik neem twee fraaie, witte brochures aan. Thuis blijken ze genummerd en gesigneerd door de kunstenaar. Ik bezit nummer 27 en 34 uit een serie van 250.

Voor het eerst voel ik de eenzaamheid van de galeriehouder – die op slechte momenten de wanhoop is van een winkelier zonder aanloop.

Bij Reflex Modern Art, recht tegenover het Rijksmuseum, is dat geheel anders. Grote namen, schreeuwende kleuren, toeristen. Aan de overkant het New Art-filiaal, een tikje eigentijdser. Aan de muur een lijstje met bedragen per maand bij besteding van een bepaald bedrag, bij gebruik van de kunstkoopregeling. Nog wel – de minister van Cultuur wil er vanaf.

Er hangt een serie sadomasochistische foto’s van de Japanner Nobuyoshi Akari en van Erwin Olaf een dame met haar kousen in haar hand uit de serie ‘Grief’. Best mooi, die goudbruine gloed, maar ik wil geen man zijn met een Erwin Olaf aan de muur. Eerst iets bijzonders, iets wat niet iedereen kent.

Langs Goda, een donker, weinig uitnodigend zaakje, vol grauwe werken in Oostblok-tinten. Lekker somber, daar knapt een mens van op. Op een houten geit van de Kazachstaan Hamid Savkuyev, met een wiel als achterstel, liggen folders. De geit kost 7.500 euro.

Als de drempelvrees is verdreven bezoek ik op de Elandsgracht drie galeries. De tweede is Galerie Gabriel Rolt. Achterin staan vijf grote, witte, rechthoekige zuilen met rouwkransen van beduimeld, opgestijfd krantenpapier. Erg fraai, maar ik zie niet goed van welk materiaal het gemaakt is. Dat is een kwestie van voelen. Dat ik op stap ben om iets te kopen, geeft me het idee dat ik de koopwaar mag aanraken. Voorzichtig duw ik een vinger tegen de zuil. Die glijdt er dwars doorheen. Als ik snel mijn hand terugtrek, plakt er een klodder smurrie aan mijn vinger, die ik afveeg aan mijn broek.

Aan de medewerkster achter de balie vraag ik waar de zuilen van gemaakt zijn. Van reuzel, zegt ze. Varkensvet. En de kranten zijn gedrenkt in koffie, thee en varkensbloed. Het is warm in de galerie. Is er geen gevaar dat de reuzel smelt, vraag ik. Het mag niet meer dan dertig graden worden, luidt het antwoord. Oké. Nee, niet erg praktisch.

Donderdag hervat ik de tocht, om de hoek op de Prinsengracht, bij galerie Ron Mandos. Ron Mandos weet wat de mensen willen, dat zie je meteen. Portretten in handzame formaten. Fors genoeg om te imponeren, maar ‘niet te dominant’ in de huiskamer. Passend boven de bank. Van Charles Fréger zijn er foto’s van balletmeisjes met knotjes. Ik denk: die maak ik over een paar jaar zelf wel van dochterlief. Van de vraag of je het geld ervoor over hebt, word je soms eerlijker dan je zou willen.

Geschilderde doeken zijn er van Katinka Lampe. Veelal kinderen, vaak met capuchon, en met grote open ogen. Net iets te trendgevoelig, te veel in het spoor van de portretten van breekbare jongeren waar Rineke Dijkstra, Hellen van Meene en Céline van Balen wereldberoemd mee worden.

Tot ik een meisje met rode trui zie, en profil, de ogen opgeslagen, sceptische trek om de mond, de onderste helft van het oogwit lichtblauw als van tranen. Het is 60 bij 60 cm, kost 2640 euro volgens de prijslijst. Precies binnen het budget van ome Arend.

Als je iets ziet wat je wilt hebben, dan weet je het meteen. En, niet onbelangrijk, hier kan ik thuis wel mee aankomen. Ik zeg tegen een medewerkster dat ik iets moois gezien heb. Of de kunstkoopregeling geldt. Ja, zegt ze, maar het doek – het is een jongen, trouwens – is al verkocht. Boink. In mijn gretigheid over het rode stipje heen gekeken.

Wat blijkt: het meeste werk van Lampe was al verkocht bij de opening, 8 september. Of al op de dag voor de opening – bij de ‘voorbezichtiging’. Vooral dat kleinere werk is erg in trek, aldus de medewerkster. Handig ja, zo redeneerde ik ook. Als dit werk zo gewild is, is het nog relatief goedkoop, zeg ik. Ja, maar haar factor gaat hierna wel omhoog, antwoordt de medewerkster. Haar factor? Ze rekent het me voor: 60 + 60 = 120. En 2640 gedeeld door 120 is 22. Dat is Lampes factor: 22. Haar succesfactor. Volgende keer minstens 30, ze verdient het, lijkt mij. Voor sneue laatkomers als ik rest de mogelijkheid zich aan te melden voor een nieuwsbrief, die waarschuwt als er nieuwe Lampes worden binnengereden. Ik bedank en druip af.

Galerie Martin van Zomeren wordt gevuld door een ouderwets kanon op wielen, zie ik door het raam. Geheel wit. Leuk voor in de voortuin. Ik ga maar niet voelen waar het van gemaakt is.

In deze buurt barst het van de galeries. Bij Annet Gelink geen concessies aan de kleine man die boodschappen komt doen. Er draait een video van Yael Bartana, te koop voor 20.000 euro, er hangen inktjetfoto’s voor 8.000 euro en drie posters kosten elk 10.000 euro. In de Hazenstraat loop ik alleen vanwege de melige naam bij Köhler Müller binnen. De eigenaresse bezweert dat zij Köhler heet en haar man Müller. De tent hangt vol Marilyn Monroe, vereeuwigd door vele kunstenaars. Confectiekunst.

Grimm Fine Art biedt weer hardcore arty spul. Kleine doekjes van Ciaran Murphy, voor tussen de één- en tweeduizend euro. Een mysterieus ijsblauw ding met witte stipjes intrigeert me wel, voor die 1200 euro. Maar de medewerkster negeert me. Alles is al verkocht, blijkt als ik ernaar vraag, op de opening, 8 september. Het lijkt een complot. Twee weken terug hadden de galeries een Dol Dwaze Dag, die mij buitensluit. In de vensterbank vind ik het bewijs, een kaartje met de 13 galeries die op die dag een expositie openden.

Bij galerie Diana Stigter staan prachtige beelden van Thomas Helbig, waaronder een opengewerkt everzwijn in groene verf, met op de plek van de kop een gat. Die zou goed staan in de hoek bij het raam, overweeg ik. Is meteen het wireless modem uit het zicht. Voor 12.000 euro is-ie voor mij, inclusief besmeurde sokkel. De beelden zijn van plastic, zegt een medewerkster. De Duitser haalt beelden bij de Poolse grens, en verbrandt en bewerkt ze. Helbig exposeerde onder meer in de Tate Modern. Ze wil wel meer vertellen, maar haar blik seint dat ik er niet uitzie alsof ik 12.000 euro ga uitgeven aan een opengebrand plastic Pools zwijn. Ik kan haar geen ongelijk geven.

Bij Hof en Huyser hangen nieuwe werken van Michael Kvium. Een Deen die ook in Nederland naam maakt. Vooral de driedelige panelen zijn erg oké. Maar op de prijslijst staat bij alle werken ‘sold’. Op de opening, 7 september deze keer. Toch duurt de tentoonstelling nog tot 20 oktober. Hangen jullie niet iets anders op, vraag ik. Nee, zo werkt het niet, aldus de medewerkster. Rare ondernemers, die galeriehouders. Wie houdt zijn winkel nou zes weken open met verkochte spullen? Nu kan de bezoeker kennismaken met Kvium, zal de achterliggende gedachte zijn. Best, maar er is al genoeg in de wereld dat ik niet kan kopen.

Aan de kunstkoper is het om niet op te geven. Blijven lopen. Ik bel aan bij Van Zoetendaal – een deur die niet vanzelf opengaat, hoort bij de barrières van deze branche. Johannes Schwartz fotografeert gevonden voorwerpen, vertelt een medewerkster. Achter, in haar kantoor, hangen nog twee werken, foto’s van gordijnen. Geestig. Kunstenaar zijn is ook een kwestie van ‘je moet maar durven’.

De prijzen van galerie Borzo zitten aan de bovenkant van de markt. Een Marc Mulders doet 26.000 euro, en dan heb je twee bij twee meter linnen vol uitgeknepen tubes verf, dik aangebracht. De succesfactor van Mulders is maar liefst 65. Het doet aan als een afgekeken kunstje, maar misschien is het als abstract kunstenaar nog wel moeilijker om origineel te zijn dan als figuratief schilder, en neem je dat de kunstenaar ook eerder kwalijk – ten onrechte. Bij Borzo tref ik het duurste werk van de tocht: Rode kimono van Hans van Hoek, 70.000 euro, dankzij het houtsnijwerk van de monumentale lijst.

Verderop de gracht, bij galerie Witteveen doet niemand open als ik aanbel. Galerie Space is definitief gesloten, maar bij galerie Nine zitten twee mensen voor het raam. Het werk dat er hangt is van een deprimerende witheid, die het kleine lokaaltje nog drukkender maakt.

Dit is hopeloos. Missie mislukt. Het plan om op goed geluk iets uit te zoeken, was blijkbaar te ondoordacht.

Het ligt ook aan de galeries. Die willen bijzonder zijn, maar doen allemaal hetzelfde. Hypocriet ook: wel handel drijven, maar geen winkel willen zijn. Vandaar dat gehannes met prijzen op een A4’tje en die onuitstaanbaar kleuterige rode stippen. Bij een deel stuit je op een soort geheim genootschap, met verkoopmomenten voor ingewijden. Bij een ander deel tref je hogepriesters in kunstkapelletjes. In alle gevallen levert het verkramping op. Hang toch gewoon een prijskaartje op. En geef iemand zijn schilderij mee als -ie het heeft gekocht.

Bij boekhandel Atheneum koop ik ten einde raad een boek: De infantiele consument van Benjamin R. Barber. Schijnt leerzaam te zijn. „We kopen veel meer dan we nodig hebben”, staat er op de achterflap. In de etalage liggen exemplaren van het boek naast twee stuks van de catalogus van Johannes Schwartz, met op de cover een foto van gordijnen.