Sappelen in een sociale spagaat

Eric Emmanuel Schmitt Foto Catherine Cabrol Portrait d'Eric-Emmanuel Schmitt Photo : Catherine Cabrol Droits cédés 10/05 Cabrol, Catherine

Eric Emmanuel Schmitt: Odette Toulemonde. Vertaald doorEef Gratama. Atlas, 288 blz. € 19,90

Ruim tien jaar geleden varieerde de toneelschrijver Eric Emmanuel Schmitt op het genre waarin hij uitblonk; hij waagde zich aan het schrijven van romans. Dat was een lastige stap, want hij had altijd gedacht dat een romanschrijver zich vreselijk moest vervelen. Niets bleek minder waar en ook zijn ‘Cycle de l’Invisible’, de reeks waarin hij kinderen de wereld van het onzichtbare, van de religie en ethiek laat ontdekken, bleek dankzij zijn virtuoze dialogen bij lezers in de smaak te vallen.

Sindsdien houdt Schmitt zich ook bezig met het verfilmen van (zijn eigen) romans en schrijft hij bovendien korte verhalen. Vorig jaar verscheen Odette Toulemonde, een bundel van acht verhalen, nu door Eef Gratama in het Nederlands vertaald. Hij schreef ze op hotel-, keuken- en montagetafels, vermeldt Schmitt in zijn epiloog, snel en een beetje in het geniep tijdens het maken van een film. Is Schmitt als korte verhalenauteur net zo begenadigd als toneelschrijver en romancier?

De acht teksten uit de bundel Odette Toulemonde hebben steeds een vrouw, haar leven en haar liefdes tot onderwerp. Of het nu vrouwen zijn die het gemaakt hebben in het leven, vrouwen die jong zijn gestorven, bedrogen vrouwen of vrouwen die altijd arm zijn gebleven – steeds kruipt Schmitt met evenveel liefde in hun huid. Zijn eerdere korte romans, zoals Meneer Ibrahim en de bloemen van de koran of Oscar en oma Rozerood, waren contes philosophiques, ogenschijnlijk eenvoudige verhalen waarachter een kritische visie schuilging op de maatschappij, op de manier waarop mensen met elkaar omgaan. Ook in Odette Toulemonde draagt Schmitt een visie uit, zij het niet op dezelfde manier. Zijn vrouwen zijn secretaresses, huisvrouwen, oudere dames, afkomstig uit een eenvoudig milieu, dromend van rijkdom en geluk.

De heldin uit het titelverhaal is ‘van eenvoudige komaf’, ‘niet bijster slim’, werkt overdag als verkoopster en ‘maakt ’s avonds versieringen van veren’. In één ding onderscheidt ze zich van anderen: ze kent het werk van de beroemde schrijver Balthazar Balsan beter dan wie dan ook. Met de bus gaat ze vanuit Charleroi, ‘een voormalige mijnwerkersstad’, naar Brussel en andere plaatsen waar de grote schrijver signeert. Ze is dan zo zenuwachtig dat ze bij signeersessies niet eens haar naam uit kan spreken. Ze revancheert zich door haar bewondering voor de schrijver in een brief te uiten. Balthazar Balsan heeft, in één woord, haar leven veranderd: ze leert uit zijn boeken ‘dat er in elk bestaan, hoe miserabel ook, wel iets is om blij mee te zijn’, ‘dat ook eenvoudige mensen erg te prijzen zijn’ en vooral heeft ze geleerd ‘respect voor (zich)zelf te hebben. Een beetje van (zich)zelf te houden’.

Hier scheert Schmitt langs het randje van pathetiek en moraliserende kitsch, maar het einde is nog niet in zicht. De schrijver die ondanks zijn rijkdom en roem niet door zijn vrouw wordt bemind, geen vrienden heeft en in een depressie raakt, zoekt zijn toevlucht bij de enige vrouw die echt van hem houdt, Odette. In haar gezelschap ontdekt de schrijver ‘wat het was om te genieten van eenvoudige dingen’, ‘hoe plezierig het was om simpelweg omringd door hartelijke mensen te leven.’ Een happy ending van de zoetste categorie.

In de beroemde schrijver valt zonder al te veel moeite een alter ego van Schmitt te herkennen. Net als zijn personage heeft Schmitt nooit onder stoelen of banken gestoken dat hij de zoon is van een bokser en kleinzoon van vrouwen die hun brood verdienden als strijksters in de zijde-industrie. Als eerste van zijn familie werd hij toegelaten tot de Franse grandes écoles en werd doctor in de filosofie. Hij wilde dat zijn grootmoeders naar zijn stukken kwamen kijken, maar tegelijkertijd kon hij zijn nieuwe milieu niet verloochenen. Een sociale spagaat, kortom, die hij zijn personages in deze bundel aan den lijve laat ervaren.

Ook de rijke Wanda Winnipeg bijvoorbeeld, hoofdpersoon uit het eerste verhaal uit de bundel, heeft het via haar vijfde echtgenoot tot miljardair geschopt en kan zich permitteren het personeel van ieder vijfsterrenhotel voor haar te laten kruipen. Haar eerste stap op weg naar het rijke leven waar ze volgens zichzelf voor in de wieg was gelegd, maakte ze door een jonge schilder zand in de ogen te strooien en vervolgens af te danken.

Nu, decennia later, aan boord van een cruiseschip, herkent ze in een oude schilder die zijn werk probeert te slijten, haar oude minnaar. Voor tonnen laat ze het gezelschap zijn schilderijen kopen. ‘Hij kan wel huilen’, schrijft Schmitt over de oude schilder, ‘hij zou die mooie vrouw willen vertellen hoe moeilijk het is geweest om tachtig jaar lang nooit een greintje aandacht of erkenning te krijgen.’ Eind goed al goed. Weer een fout uit het verleden rechtgezet, een verhaal met een moraal.

Schmitt typeerde zijn romans ooit als ‘spiegelboeken’, boeken waarin ieder mens zijn eigen verhaal projecteert. Hij zei te willen suggereren, voldoende schaduwhoekjes intact te willen laten om de verbeelding van de lezer te prikkelen. Dat laatste is Schmitt in deze bundel niet gelukt. Schmitt zegt veel, zo niet alles. De door hemzelf vaak geciteerde filosoof Voltaire zei het al: ‘l’art de tout dire, c’est l’art d’ennuyer’.

Op 17 oktober wordt Schmitt in Maison Descartes in Amsterdam ondervraagd door Raymond van den Boogaard. Res. d.bourgois@maisondescartes.com