Negeer de grote wereld niet

Dubravka Ugresic: Niemand thuis. Uit het Servo-Kroatisch vertaald door Roel Schuyt. De Geus, 288 blz. €22,50

Bas Heijne: Onredelijkheid. De Bezige Bij, 128 blz. €14,50

Dubravka Ugresic is een van de dapperste essayisten van wie ik ooit werk heb gelezen. En een van de geestigste. En een van de intelligentste.

Dapper. Ze heeft nu een Nederlands paspoort, maar in haar land van herkomst, het deel van Joegoslavië dat nu het onafhankelijke Kroatië is, werd ze uitgemaakt voor heks. Dat belet haar geenszins de gewelddadigheid en de brutale vervalsing van de eigen geschiedenis in Kroatië genadeloos aan de kaak te stellen. Over de eerlijkheid, de goede trouw en de moed van schrijvers, intellectuelen en politici in de piepjonge republiek maakt ze zich geen enkele illusie. ‘Degenen die aan de verandering leiding gaven, veranderden van communisten in nationalisten, [...] van rovers en dieven in succesvolle zakenlieden en van halfanalfabete nitwits in arrogante openbare denkers. Niet alleen was deze transformatie ideologisch en politiek gewenst, ze bleek ook winstgevend.’

Geestig. Of moet ik zeggen vertederend? Ugresic heeft een weergaloze zin voor details, een even weergaloze zin voor de absurditeiten van het moderne stadsleven en een verfrissende zelfspot. Ze verstaat de kunst om te bewonderen en zich toch niet in het stof te wentelen. De bladzijden waarop ze de lof zingt van Amsterdam in de mist en van de fiets vind ik de mooiste die ik ooit over Nederland en Amsterdam gelezen heb.

Ironie en ontroering, het lijkt een onmogelijke combinatie. Niet voor Ugresic. Oordeel zelf: ‘Toen ik uit het vliegtuigraampje keek, zag ik voor het eerst hoe dun Nederland eigenlijk is, zo flinterdun als het dunste Zweedse knäckebröd. Ik kreeg ineens diep en oprecht medelijden. Sindsdien loop ik in Amsterdam over straat alsof ik op eieren loop. Sindsdien begrijp ik dat de bodem van het land zo dun is dat zo’n gracieuze fiets daarvoor het meest geëigende vervoermiddel is. In elk geval het vriendelijkste.’

Intelligent. Over de nieuwe verhouding die tussen West- en Oost-Europa ontstaan is sinds 1989; over de zegeningen van het kapitalisme en de duisternissen van het communisme; over identiteit en nostalgie; over de vrijheid van de schrijver vandaag; over dat alles wordt onzin uitgekraamd bij karrenvrachten. Ugresic maakt bij al die onderwerpen verrassende, verontrustende opmerkingen. Neem het communisme. Leer het haar kennen, ze is opgegroeid onder het bewind van Tito. Ze beschrijft dan ook met grote kennis van zaken en zeer gedetailleerd wat ze de ‘nachtmerrie van het communisme’ noemt. Maar evenmin schrikt ze ervoor terug de voordelen van het (Joegoslavische) communisme aan te wijzen. Wie niet wil geloven dat die voordelen ook werkelijk bestonden, moet dringend Ugresic’ genuanceerde en ongemeen heldere beschouwingen lezen. ‘Commercie is ideologie en ideologie is commercie’. Met andere woorden, ons kapitalisme verschilt akelig weinig van het communisme.

Ugresic heeft mij tot panisch nadenken gebracht. Haar analyses storen en zo hoort het, zelfs in onze gladgestreken westerse wereld.

Het zevendelige essay dat Bas Heijne wijdt aan identiteit, of liever aan de problemen die je krijgt als je identiteit probeert weg te moffelen of juist ophemelt, heb ik niet zo graag gelezen als Ugresic’ boek. Komt het doordat Heijne zijn voorbeelden bijna allemaal haalt uit boeken, films en tentoonstellingen? Ugresic put haar stof uit het leven zelf en dat leven is zeer breed en zeer mooi en afschuwelijk, of het zich nu afspeelt in een New Yorkse manicurezaak dan wel in een voormalig strafkamp waar de stalinistische tegenstanders van Tito werden gefolterd.

Ik begrijp wel dat Heijne het begrip identiteit aan alle kanten wil bekijken. De laatste jaren is identiteit in Nederland allesbehalve evident. Ugresic van haar kant is allergisch voor het woord. Ze wil eindelijk eens verlost worden van die etikettenplakkerij. In haar landen van herkomst had ze genoeg te maken met de zwendelaars in identiteiten.

Bas Heijne vertrekt bijna van het tegenovergestelde. Nederland heeft jaren lang een bijna ideologische afkeer aan de dag gelegd van de behoefte aan identiteit. Met een boutade zou je kunnen zeggen dat de Nederlandse identiteit hoofdzakelijk bestond uit minachting voor identiteit. Heijne heeft een overschot van gelijk als hij stelt dat Nederland de afgelopen decennia bijna volledig de nadruk heeft gelegd op persoonlijke vrijheid, ‘het recht van een individu om zijn eigen leven naar eigen inzicht in te richten.’

Spreekt zoiets vanzelf? Zo naïef is Heijne niet: ‘...als één behoefte de afgelopen decennia in Nederland onderschat is, is het precies die: de behoefte van het individu om ergens bij te horen.’ Je mag gerust zeggen dat die behoefte in heel West-Europa werd onderschat.

Maar Nederland is toch een geval apart. Nederland heult maar al te graag mee met heersende trends. De Nederlander die mee is met de trend, heeft bovendien de onweerstaanbare drang om de toevallige mode als iets absoluuts te beschouwen. Wie niet meedoet, is achterlijk.

Heijne wijst trefzeker de rotte plekken in die houding aan. Hij wijst erop hoe gevaarlijk het is de afkeer van eigen identiteit binnenste buiten te keren. Hij stelt de vraag die je moet stellen, want die nieuwe tendens komt niet uit de lucht gevallen. Waarom gooit de Nederlander de luiken dicht? ‘Het pasklare antwoord luidt: angst. De burger, vooral de Nederlandse, is bang geworden voor de grote, boze buitenwereld.’

Aan de hand van Dostojevski’s Aantekeningen uit het ondergrondse waarschuwt Heijne tegen al te groot Verlichtingsoptimisme. De idealen van de Verlichting zijn zeker prijzenswaardig. Maar de vraag is, zijn ze ook haalbaar? Onredelijkheid zal je nooit uitroeien. Al sluit je de luiken potdicht, de ‘grote wereld laat zich niet negeren.’ Globalisering mag niet uitsluiten dat een mens een ruimte krijgt waar hij zich helemaal thuis kan voelen. Maar identiteit, of noem het eigenheid, mag ook geen dwingende lotsbestemming zijn. Identiteit heeft altijd iets van toeval. Identiteit is altijd relatief. Ik kan het weten, ik ben een Belg.