Musici als metafoor

Theo Loevendie maakte voor zijn gezelschap Ziggurat een ‘operina’ over een componist die het met zijn musici aan de stok krijgt. „Het zou voor politici goed zijn eens te komen kijken.”

Eigenlijk zou hij ‘Leo’ gaan heten, de componist die de hoofdpersoon is van Babylon. Maar hoe verder het libretto vorderde, hoe meer Leo zijn eigen leven ging leiden, en hoe minder hij begon te lijken op Theo Loevendie, zijn bedenker.

„Oorspronkelijk zou ik die rol ook zelf gaan spelen”, vertelt Loevendie (77) op zijn werkkamer vlakbij het Concertgebouw in Amsterdam. Babylon is zijn vijfde opera, na succesvolle voorgangers als Naïma (1985) en Johnny & Jones (2001). De laatste ging over het gelijknamige joodse zangduo dat omkwam in de Tweede Wereldoorlog. Vanwege de beperkte omvang en de afwezigheid van decors noemt hij Babylon een ‘operina’, een (nog niet bestaand) Italiaans verkleinwoord voor opera.

„Leo was sterk op mij geënt, en daarom leek zijn naam ook op de mijne”, zegt Loevendie. „Maar hij kreeg steeds meer vlees, en dreef alsmaar verder van mij af. Op het laatst was het iemand met Rita Verdonk-achtige teksten. Ik heb gewoon niet genoeg vakmanschap als acteur om iemand te spelen die zo ver van mijzelf afstaat.”

‘Leo’ werd zodoende ‘François’, en de rol wordt nu gespeeld door een acteur, Freerk Bos. De verwantschap met de maker bleef echter aanwezig – zij het op een abstracter niveau, als een soort Mister Hyde of anti-Loevendie. Beiden zijn componist, en componisten zijn autoritaire wezens. Loevendie: „Componist, regisseur, choreograaf: het zijn allemaal beroepen waarin je zegt wat iemand anders moet doen. Ik bepaal: ‘Dit is de muziek die we gaan spelen’.”

Het autoritaire neemt bij

François licht karikaturale vormen aan. Babylon vertelt het verhaal van zijn ‘finest hour’: een concert waarop de door hem ‘herontdekte’ muziek uit het oude Babylon gespeeld zal gaan worden ( „met gevaar voor eigen leven opgegraven in Irak!”).

François’ musici vormen een internationaal gezelschap, met niet toevallig net als in Loevendies ensemble Ziggurat, dat Babylon uitvoert, musici uit onder meer Syrië, China, Oostenrijk en Zwitserland. Van hen verwacht François absolute gehoorzaamheid. Ze moeten boven alles hun individuele muzikale impulsen onderdrukken: eigen initiatieven tot onder meer jazz, Arabische muziek, rap en zelfs jodelen worden als ‘barbaars’ streng de kop ingedrukt. Alles moet in dienst staan van de traditie, van de hervonden Babylonische muziek, die volgens François nog puur was, onaangetast door eeuwen van culturele degeneratie.

Uiteraard slaagt François er niet in het conflict te beheersen. In een steeds verder escalerende revolte wisselen talen en muziekstijlen elkaar af, en tot overmaat van ramp wordt zelfs de ‘authenticiteit’ van zijn gereconstrueerde Babylonische muziek onherroepelijk weerlegd.

Het ligt voor de hand Babylon te zien als een geëngageerde voorstelling, met een wijze les voor de multiculturele samenleving. Loevendie is terughoudender. „Ik zou Babylon geen politieke opera willen noemen”, zegt hij, „maar er zijn wel verwijzingen naar de werkelijkheid.” François citeert ergens letterlijk voormalig minister van Vreemdelingenzaken en Integratie Rita Verdonk: „Niet links, niet rechts, maar rechtdoorzee.” Elders eist hij van zijn musici dat ze voortaan alleen nog Nederlands spreken (een boodschap die hij herhaalt in het Engels).

„Ik hoop dat iedereen begrijpt dat ik het daar persoonlijk niet mee eens ben”” zegt Loevendie. De gang van zaken in het échte Ziggurat is dan ook heel anders dan die in het fictieve ensemble dat de musici op het podium spelen. „Het zou voor politici goed zijn om eens naar Ziggurat te komen kijken. Het is een metafoor. Een voorbeeld van hoe een multiculturele samenleving zou kunnen functioneren. Met groot respect voor elkaars kunnen, voor elkaars hoedanigheid.”

Maar is dat niet een naïef beeld van hoe een multiculturele samenleving eruit ziet? Als iedereen alleen maar zijn eigen ding blijft doen, zoals de musici uit verschillende culturen, is van echt samen leven toch weinig sprake?

„Ik dacht vroeger ook: god, wat leuk, al die verschillende culturen bij elkaar in één ensemble. En als ik er over praat, zoals nu, leg ik daar ook wel de nadruk op. Maar het gekke is: ik zie het eigenlijk niet meer als een vermenging; ik zie gewoon Ziggurat, een ensemble. De verschillen zijn een bijverschijnsel geworden.”

Daar komt ook de autoriteit van de componist weer om de hoek kijken. Hij zorgt er immers voor dat iedereen een passende rol in een groter geheel krijgt. „Er zijn natuurlijk basisgegevens. Zij moeten respecteren dat ík de componist ben, ook al dwingt niemand ze mijn muziek te spelen – voor zover ik weet doen ze dat uit grote overtuiging. Ook in een multiculturele samenleving zijn er bepaalde wetten. Het gaat erom hoe groot de marge is waarbinnen mensen hun eigenheid kunnen bewaren. Ik denk dat je daarin niet te dwingend moet zijn, de tegenstellingen niet moet versterken.

Het grootste verschil tussen

Loevendie en zijn verzonnen collega François is dan ook dat de laatste streeft naar een pure, zuivere en eenvormige muziek (die paradoxaal genoeg wel weer ‘Babylonisch’ heet), terwijl Loevendie zelf van jongs af aan juist altijd bijzonder heterogene muziek heeft gecreëerd. „Dat is mijn natuur”, zegt hij. „Als je in een bepaald muzikaal milieu opgroeit, weet je misschien niet beter. Maar bij ons thuis werd niet aan muziek gedaan. Ik moest dus alles op straat, in de Kinkerbuurt, bij elkaar schrapen.” Tweemaal gaf zijn moeder hem bij de politie als vermist op nadat hij achter een muziekkorps was aangelopen. „Accordeonspelers, draaiorgels, acrobaten met een muziekje erbij: al die dingen kun je nu nog geabstraheerd in mijn muziek terugvinden.”

Later maakte Loevendie succesvol carrière in de jazz, om zich vervolgens op de gecomponeerde muziek te richten. Maar het verwonderd rondluisterende jongetje uit de Kinkerbuurt bleef: nooit zou Loevendie welke muzikale stijl dan ook a priori verwerpen, en een grote belangstelling voor de niet-westerse muziek klinkt voortdurend door. In vrijwel al zijn werk duiken elders strikt gescheiden muzikale culturen broederlijk op, met het rapnummer en de jodelact van Babylon als laatste wapenfeiten.

„Als componist heb je de taak ervoor te zorgen dat een stuk een kop en een staart heeft”, meent Loevendie. „Zomaar een luik Arabieren of jazzmuzikanten opentrekken in een symfonisch stuk, daar heb ik altijd een ontzettende hekel aan gehad. Dat werd een jaar of dertig geleden veel gedaan: dan hoor je een symfonieorkest spelen, en dan wordt er ineens een groep wilde dieren losgelaten, de jazzmuzikanten, om even later gewoon weer met het symfonische werk door te gaan.”

Loevendie wil de verschillende elementen in een logische samenhang nader tot elkaar brengen: „Wat ik altijd veel interessanter heb gevonden, is wanneer die dingen geïntegreerd worden. Een Arabische improvisatie is op zijn plaats als het stuk als geheel daarop gericht is.” En omgekeerd waardeert Loevendie het ook wanneer zijn musici soms wat meer afstand nemen van hun eigen traditie. „Zoiets zou ik echter nooit opleggen. Het ontstaat vaak vanzelf, en daar voeren we ook gewoon gesprekken over.”

Niettemin eindigt Babylon juist in een grote spraakverwarring, waarna ieder zijns weegs gaat. Een pessimistische conclusie? Loevendie: „Volgens mij is er een overdreven angst. Er zijn natuurlijk wel problemen, dingen die botsen, maar ik geloof dat het uiteindelijk in orde komt.” De voorstelling Babylon laat dus vooral zien hoe het niet zou moeten. De realisatie, door een multicultureel ensemble, toont tegelijkertijd hoe het wel zou kunnen.

‘Babylon’ van Theo Loevendie door Ensemble Ziggurat, Freerk Bos (acteur) en Marije de Nie (danseres). Libretto en muziek: Theo Loevendie. Regie: Javier López Piñón. 12/10 en 13/10 Amsterdam, 25/10 Alkmaar, 30/10 Apeldoorn, 4/11 Utrecht, 2/12 ’s Hertogenbosch. Inl. www.zigguratensemble.com.