Macrameeën met carbonvezel

De vraag naar werk van Nederlandse vormgevers is internationaal zo gegroeid dat het onbetaalbaar is geworden voor de meeste Nederlandse musea. Twee tentoonstellingen maken de balans op.

Virtuele boom van Simon Heijdens 139 Simon Heijdens: Virtuele boom Foto Bob Goedewaagen Goedewaagen, Bob

Twee mannen zitten in een Rotterdams café. Zegt de een: wonderlijk toch dat er zo veel vormgevers die internationaal opereren nou net in Rotterdam wonen. Zullen we daar een tentoonstelling over maken? In Milaan bijvoorbeeld?

Zegt de andere: Milaan? Nou nee. Liever New York.

De eerste man was hoofd van het Centrum Beeldende Kunst in Rotterdam, de andere directeur van de Rotterdamse vormgevingsgalerie Vivid. Het heeft geld en moeite gekost – onder andere van het consulaat in New York – maar die tentoonstelling is er gekomen. Onder de naam Dutch Design Port stond deze zomer werk van tien Rotterdamse ontwerpers in een verbouwd pakhuis in het New Yorkse Meatpacking District. Nu – nu pas, voor het eerst – is hun werk bij elkaar gebracht in hun eigen stad in Tent, een op de Rotterdamse scene gerichte ruimte in de Witte de Withstraat.

De expositie in Tent roep een aantal intrigerende vragen op. Prima dat Tent dit initiatief heeft genomen – anders zou het moeilijk zijn om zoveel van het Dutch Design te zien waar de rest van de wereld vol van is – maar het lijkt alsof Nederland pas gelooft dat het iets waardevols in handen heeft als de buitenwereld eerst heeft gezegd dat het goed is. En hoe komt het dat er van deze objecten zo weinig in Nederlandse collecties zijn opgenomen? Hebben ze iets in hun werk met elkaar gemeen behalve dat ze in Rotterdam wonen (local) en international werken (global)? En is er iets aan Rotterdam wat speciaal gunstig is voor het creatieve klimaat?

Het belangrijkste voordeel van Rotterdam lijkt de voorraad immense werkruimtes. Dat is goed te zien op de foto van ontwerper Jurgen Bey in zijn atelier: het lijkt alsof hij zit te werken in een hangar. Volghens een onderzoek van TNO twee jaar geleden groeit de creatieve economie in Rotterdam harder dan die in Amsterdam. Tussen 1996 en 2003 is bijvoorbeeld de werkgelegenheid in Rotterdams creatieve sector met 8 procent, tegen 5 procent in Amsterdam.

Het is een goed moment om de balans op te maken van de stand van zaken in de Nederlandse vormgeving, want behalve de tentoonstelling in Tent is bij Droog Design in Amsterdam de expositie Dry Tech te zien. Daar ontmoeten twee werelden elkaar, die van vormgevers en die van de lucht- en ruimtevaarttechniek, van de TU in Delft.

Het internationale succes van de Nederlandse vormgeving begon eerste helft jaren negentig met Droog Design, geesteskind van criticus Rennie Ramakers en ontwerper en docent in Eindhoven Gijs Bakker. Droog was niet bedoeld als winkel, of fabrikant, of museum, maar als podium om het Nederlands ontwerp te presenteren en om de ontwerpers in contact te brengen met elkaar, met fabrikanten, met winkels en galeries en met de media. ‘Droog’ slaat op een geestesgesteldheid: eigenwijs, met droge humor en het typisch Nederlandse relativeringsvermogen.

De samenwerking met de TU in Delft gaat over een ander veel geroemd aspect van het Nederlandse ontwerp: innovatief gebruik van materialen. Dat gaat vaak op geestige wijze met alledaagse ingrediënten: Marcel Wanders die een condoom met eieren vult en dat in porselein afgiet als een vaas. Of snotjes uit zijn neus haalt, uitvergroot en ook in porselein afgiet: ziedaar, de Snotty Vase. „We merkten dat de jonge generatie ontwerpers niet verder kwam dan de materialen die ze al kenden. Door gebrek aan financiën, energie, kennis, hoe het ook zij, maar er dreigde een verarming”, ”, zegt Gijs Bakker. „Toen ben ik in contact gekomen met Adriaan Beukers, hoofd lucht- en ruimtevaarttechniek aan de TU Delft, en zijn we vanaf 1996 gaan samenwerken.”

Met ontwikkelsubsidies van het Fonds voor Beeldende Kunst, Bouwkunst en Vormgeving hebben ontwerpers in Delft nu voor de derde keer, en wel twee jaar lang, zich verdiept in hoogwaardige materialen waar de consument nog geen weet van heeft. „Wij werken hier met vezelversterkte kunststoffen, maar ik beschouw ze als ‘behuizing in textiel’,” zegt Beukers. „Je kunt er een vliegtuig of een schip van maken, of een gebouw, of een stoel.” Behalve materialenkennis biedt Beukers zijn netwerk om ideeën gerealiseerd te krijgen, variërend van vezelreuzen als Ten Cate en DSM tot verwerkers als Eurocarbon tot het kleine Ypenburgse bedrijf Repair, dat prototypes en kleine series kan produceren.

Op ‘Dry Tech’ is een oer-ontwerp

van de hedendaagse Nederlandse vormgeving te zien, dat voortgekomen blijkt te zijn uit de eerste samenwerking met TU Delft: de Knotted Chair van Marcel Wanders. Het is een oefening in gezichtsbedrog: hoe bestaat het dat je van een lap macramé een betrouwbare stoel kunt maken? Door met carbonvezel te macrameeën, die lap in de juiste vorm te spannen en vervolgens met polyester uit te harden. Hightech meets lowtech. Die slappe lap hangt daar, voordat-ie stoel wordt, aan een haakje, als een pas uitgetrokken Spiderman-pak.

Ook vormgever Wieki Somers is met nieuwe ogen naar de technische mogelijkheden van het materiaal gaan kijken: haar lamp Woven Bellflower is gemaakt van gevlochten glasvezel, carbon en hars, waarbij de vezels zelf de elektriciteit naar de kap voeren.

Next Architects maakte samen met textielontwerper Samira Boon panelen voor een beeldschoon kamerscherm. Bart Reuser van Next: „De vezels worden eerst in een wafelpatroon met een diep reliëf gewezen en dan uitgehard met transparant polyesterhars. Adriaan Beukers wil onderzoeken of je hier gevelpanelen van kunt maken, en als architecten vinden wij dat natuurlijk interessant.”

Het Dry Tech-ontwerp van Chris Kabel, de Seam Chair, lijkt nu al klaar voor de winkel. „Het idee is simpel”, legt hij uit. „Je naait een heleboel lagen polypropyleen aan elkaar tot een zak. Die vul je met zand, waardoor het al in de vorm van een stoel gaat staan. Dat bak je onder druk in de oven totdat het hard is en dan laat je het zand eruit lopen.” Het resultaat is vederlicht en keihard; zo hightech als het is, de grove stiksels langs de randen (de seams) geven de stoel tegelijk iets ontwapenends.

Al zoekend naar fabrikanten voor hun ideeën maken de ontwerpers van nabij kennis met de globalisering. Chris Kabel: „Er is nog maar één bedrijf in Nederland met machines die al deze lagen kunststof aan elkaar kunnen naaien. Verder zitten ze allemaal in Turkije of India.” Demakersvan, zoals de studio van Joep en Jeroen Verhoeven en Judith de Graauw heet, laat zijn gekantkloste metalen hekwerk in India fabriceren. Bestellingen van onder de dertig meter nemen ze niet meer aan, en eind dit jaar zullen ze volgens Jeroen 75 man in India in dienst hebben. Met hun bedrijf is het hard gegaan: de makers zijn nog twintigers.

Het succes heeft er ook toe geleid

dat de internationaal bekende Dutch designers waartoe deze tien horen, ook skyhigh prices kunnen vragen. Daarmee is de vraag beantwoord waarom Nederlandse vormgeving in deze vette jaren van lof en erkenning aan de meeste Nederlandse musea voorbij gaat: te duur. De vormgevingscollectie van het Rotterdamse museum Boijmans Van Beuningen moest de aluminium Bone Chair die Joris Laarman in samenwerking met Opel ontwierp, laten gaan toen het er een voor ‘slechts’ vijfduizend euro kon kopen. Nu kost die stoel een veelvoud daarvan en is het dus aan rijke verzamelaars en musea voorbehouden. Een bijzondere kast van Demakersvan staat in het MoMA in New York en in het V & A in Londen, maar niet in Rotterdam.

Terug naar Tent. De vraag was blijven hangen: is dit een toevallige Rotterdamse tentoonstelling of een groepstentoonstelling met een gezamenlijk thema of verwantschap? In die zin vormen ze een groep, dat er breed gedeelde interesse is voor zowel het materiële (zie de vederlichte stoelen van koolvezelstof van Bertjan Pot) als het poëtische waar een verleden en een persoonlijk verhaal in besloten zit (zie het zinnelijke aardewerk van Hella Jongerius).

Vooral één ontwerp in Tent vat de toestand van Dutch design goed samen. Het is meer een idee dan een object, en juist in die abstractie is het zeer poëtisch. Het is een metershoge virtuele boom, bedacht door Simon Heijdens. De boom is van wit licht en wordt op een wand geprojecteerd; dankzij sensoren aan de buitengevel waait hij mee met elk zuchtje wind. Soms dwarrelen er blaadjes naar beneden; ze blijven liggen. Je bent volledig betoverd en tegelijk stiknieuwsgierig: hoe werkt dat nou? Ja, een boom heeft wortels, is met zijn diepste wezen aan één plek gebonden, maar ja, deze virtuele boom kan overal staan, kan iedereen betoveren.

Dutch Design Port, t/m 28 okt. in TENT, Witte de Withstraat 50, Rotterdam, www.tentrotterdam.nl. Dry Tech, t/m 14 okt. bij Droog Design, Staalstraat 7b, Amsterdam, www.droogdesign.nl. Werk van Chris Kabel, t/m 18 nov. bij Vivid, William Boothlaan 17a, Rotterdam, www.vividvormgeving.nl, www.chriskabel.com.