Klap

Voor coffeeshop Rasta Baby („Voorgedraaide joints, waterpijp aanwezig”) aan de Prins Hendrikkade in Amsterdam voltrok zich deze week een opvallend tafereel. Op de stoep voor de zaak lag, plat op zijn buik, een lange, stevige man van tegen de dertig. Hij bewoog zich niet, wat hem ook geraden was, want twee politieagenten zaten boven op hem, terwijl een derde agent als een soort achtervanger toekeek.

De polsen van de man lagen geboeid op zijn rug. Hij had zijn gezicht op het plaveisel gelegd en hield zijn ogen stijf gesloten. Omdat er verder niets gebeurde, kregen de toegestroomde belangstellenden uitgebreid de gelegenheid om zijn kleding te bekijken: een groenig interlockje, een grijze broek en vuurrode sokken.

Wat was er met hem aan de hand? Was hij misschien gewond? We moesten tien minuten wachten voordat deze vraag beantwoord kon worden.

Een politiebusje kwam met gillende sirene aangereden en stopte bij de stoep. Er tuimelden nog wat agenten uit. Samen met hun collega’s sjorden ze de man overeind en voerden hem gevankelijk naar het busje. Hij leek niets te mankeren. Fier stond hij op zijn krachtige benen. Hij verzette zich niet, behalve met zijn ogen, die weerzin uitstraalden.

Het had iets dramatisch, het kon een scène uit een speelfilm zijn: jonge, sterke man, opgebracht door de politie.

Het was een verwarde man die zich nogal tegen zijn aanhouding had verzet, hoorde ik later van de politie. Eén ding was zeker: zijn leven zou na dit incident nooit meer hetzelfde worden. De maatschappij houdt niet van jonge mannen die opgebracht moeten worden. Taakstraf, bij recidive gevangenis, opname in een inrichting – het was allemaal mogelijk.

Ik moest denken aan Ryan en Eric, twee 22-jarige Canadese militairen die ik een dag eerder voor de Amsterdamse rechtbank had gezien. Ze zagen er onberispelijk uit in hun strakke pakken, je zou zweren dat het veelbelovende bankemployés waren. Maar toen hún leven instortte, op 26 mei van dit jaar, zagen ze er net zo casual uit – T-shirt, spijkerbroek – als de gearresteerde man bij Rasta Baby.

Ze waren voor een dagje naar Amsterdam gekomen om de gespannen saaiheid van het militaire leven in Afghanistan van zich af te schudden. Daarna zouden ze weer teruggaan. Na een nachtje stappen ontmoetten ze op de Vijzelstraat een groepje homoseksuele mannen. Het eerste contact verliep niet eens onvriendelijk, maar plotseling ontplofte de situatie toen een van de Canadezen vroeg: „Are you gay?”

„So what?” was het antwoord.

Toen viel de klap. Eén klap. Van Eric. „Ik heb me verdedigd zoals het me geleerd is”, zei hij tegen zijn rechters. Het was hem goed geleerd. De klap tilde Patrick, het slachtoffer, even op en deed hem daarna met zijn hoofd tegen de grond slaan. Patrick liep schedelletsel en een neusfractuur op. Hij zal nooit meer kunnen proeven en ruiken en aan één oor doof blijven. Hij was zelf niet naar de rechtszaal gekomen, zijn ouders wél – ze zaten er verslagen bij.

Ryan en Eric mogen tot de uitspraak Nederland niet uit. Een veroordeling betekent ontslag uit militaire dienst. Ryans moeder heeft van de spanningen al een hartaanval gekregen.

Al die levens worden nooit meer wat ze vroeger waren.

Eén klap maar.