Jonker van de droevige figuur

Jhr. mr. De Geer, premier van 1939 tot 1941, was geen man van doorslaggevendheid. Maar wat was hij dan wél? Angsthaas? Deserteur?

Henk van Osch: Jonkheer D.J. de Geer. De teloorgang van een minister-president. Boom, 548 blz, € 35,–

Er zijn nog foto’s van de eerste vergaderingen van het naar Londen gevluchte Nederlandse kabinet in mei 1940. Ze kwamen aanvankelijk in een vrijstaande slaapkamer van Grosvenor House bijeen, waar de socialist Albarda (Waterstaat) op hotelbriefpapier de notulen bijhield die overigens niet konden worden vermenigvuldigd, wat maar goed was ook. Stel dat de Duitsers ook hier ineens zouden binnenvallen.

Daar zaten ze dan. ‘Verregende mussen’ zijn ze genoemd door Hollandse routiniers die voor Shell, Philips of Unilever al de halve wereld hadden afgereisd, en die zich nooit hadden gerealiseerd dat de elite van het Binnenhof er zo uitzag. ‘Dorpsburgemeesters in de grote stad’, was er ook eentje. Of gewoon shivering sisters, sidderende sissy’s.

Drie zijn er ook op latere portretten altijd uitgesprongen. Van Kleffens, met dat diplomatieke eierhoofd. De besnorde Gerbrandy die nog vóór hij een woord Engels sprak al een Engelse bolhoed had aangeschaft. En De Geer. Ook als je niet had geweten hoe treurig het met de laatste zou aflopen, zou je het aan de foto’s van dat oude, mistroostige, wereldvreemde hoofd meteen hebben kunnen aflezen. In het Nederland van tussen de twee wereldoorlogen had hij voor zijn partij, de Christelijk Historische Unie, carrière gemaakt als een bekwaam bestuurder, een vaak weifelende, maar in wezen ambitieuze politicus, die in de zomer van 1939 na de val van Colijn V als minister-president alsnog de kroon op zijn werk mocht zetten. Hij was toen bijna 70. Nog geen maand na de formatie brak de oorlog uit. En als balling in Londen zou hij definitief een jonkheer van de droevige figuur worden: angsthaas, defaitist en tenslotte ‘deserteur’.

Het laatste woord mag tussen aanhalingstekens. De Geer heeft later zelf in alle toonaarden ontkend dat zijn terugkeer in 1941 via Portugal naar bezet Nederland een geval van vaandelvlucht zou zijn geweest. Formeel had hij gelijk. Hij was al door de koningin ontslagen, onder meer omdat hij in augustus 1940, midden in de voor Engeland donkerste periode van de oorlog – vanuit Londen met vakantie naar Zwitserland had gewild. Hij had, eenmaal gedegradeerd, nog de portefeuille van Financiën willen houden, maar majesteit bleek onverbiddelijk. Zijn status werd die van ambteloos burger.

Toen hij in die hoedanigheid een Engels uitreisvisum voor Portugal had verkregen, heeft hij het doen voorkomen alsof hij naar Indië wilde doorreizen, waar hij volwassen kinderen had wonen. Maar vóór de Londense achterblijvers het goed en wel in de gaten konden hebben, had hij in Lissabon al contact gelegd met de Duitse ambassadeur die er na enige maanden bureaucratisch overleg en de nodige screening voor zorgde dat hij via Berlijn kon terugreizen naar zijn vrouw in Den Haag.

Dat hij in Londen tot de ‘defaitistische’ ministers behoorde die in een Duitse overwinning geloofden of zelfs bereid waren achter de Engelse rug om via Zweden een afzonderlijke vrede met Hitler te zoeken, was van meet af aan bekend. Het woord desertie viel pas, en de woede van het strijdbare deel van de Nederlandse kolonie (Wilhelmina voorop) werd gewekt, toen hij de ‘veiligheid’ van bezet Nederland verkoos boven een relatief riskant leven in Londen, en de vijand inschakelde om z’n laffe zin te krijgen.

Fascinerend natuurlijk, dat totale demasqué van iemand die zonder oorlog als een gerespecteerde staatsman had kunnen sterven, en naar wie in Soest, Den Haag of Arnhem vast nog allerlei pleinen en plantsoenen genoemd waren. In 1947 werd hij wegens ‘benadeling van de staat’ veroordeeld tot één jaar voorwaardelijke gevangenisstraf, reisbeperking voor de duur van de proeftijd van drie jaar, en ontzegging voor het leven van het passieve kiesrecht. Z’n onderscheidingen waren hem al afgenomen. Een paar weken na het verloren hoger beroep kreeg hij bij Koninklijk Besluit ontslag als minister van Staat. God strafte hem nog extra door hem in deze ontluisterde staat tot 1960 te laten doorleven. Toen hij op z’n 90ste doodging waren de meeste Nederlanders hem al weer vergeten.

Tien jaar geleden hebben Hugo Pos (ex-rechter, ex-Engelandvaarder) en Jan Kuijk (ex-journalist) onder de titel Het averechts handelen nog een mooi boekje geschreven over de laatste fase van het demasqué, waarbij Kuijk zich aan de tot dusver bekende feiten hield, en Pos over de mogelijkheid fantaseerde dat De Geer toch te goeder trouw was geweest maar in Lissabon de verkeerde ‘afslag’ had genomen. Een biografie liet op zich wachten. En die is er dan toch nog gekomen – niet van een historicus, maar van een dokter.

Huisarts Henk van Osch heeft zich als ‘amateur’ meer dan voortreffelijk geweerd in een materie die vóór het tijdperk van de eerloze val nogal ondramatisch was en politiek taaie kost betekende. De Geers ‘doorbraak’ voltrok zich aan de late kant – hij was al 50 toen hij via de Rotterdamse gemeenteraad en het Zuid Hollands provinciaal bestuur als minister van Financiën in de jaren twintig het landelijk podium betrad.

Hij was geen man van doorslaggevendheid. Eerzuchtig, zei de één, aarzelend de ander, eigenzinnig een derde, met zo veel mogelijk winden meewaaiend nog weer iemand anders, Een Mann ohne Eigenschaften? Als er knopen doorgehakt moesten worden opereerde hij omzichtig, en liever helemaal niet. Noch in de kwestie van de Vlootwet van 1922 (‘de eerste twintig jaar zullen we geen oorlog beleven’, voorspelde hij, om de hand aan de knip te kunnen houden’), noch inzake een gezantschap bij het Vaticaan, voor protestanten toch een heet hangijzer, liet hij zich erg principieel kennen. Hij was niet tegen algemeen kiesrecht geweest, maar er evenmin ontzettend voor. Hij bestreed de NSB omdat ze onchristelijk was, maar eiste als premier van de media de allerstriktste neutraliteit, om nazi-Duitsland niet boos te maken.

Over de Italiaanse aanspraken op Abessinië deed hij in 1936 als Kamerlid een uitspraak die meer dan typerend lijkt. Hij zei: ‘Bij wat onder Gods toelating tot stand was gekomen – al verstonden wij het vaak niet – legden wij ons tenslotte neer, omdat wij begrepen dat het onze plicht was in harmonie te leven met wie God ons in deze wereld heeft geplaatst en over wie Hij zijn zon doet opgaan’.

Capitulatie in de naam van Onze Lieve Heer.

Enig begrip van wat in de wereld omging was hem vreemd. Als verse minister-president verkoos hij in augustus 1939 het Schwarzwald als vakantieoord. Voor een mogelijk vergelijk tussen Engeland en Hitler beval hij een ‘Vrede van Amiens’ aan, die in 1802 de Britten ook met Napoleon had verzoend. Dat Japan ooit een vijand zou worden kwam niet in hem op.

Zonder de jonkheer helemaal te willen schoonwassen, verdedigt Van Osch hem dapper, ofschoon niet altijd met goede argumenten, tegen ‘aanvallers’ als Lou de Jong. Cees Fasseur, H.M. Hirschfeld, en vooral Wilhelmina. ‘Zonder koningin Wilhelmina’, lezen we ergens, ‘zou het noodlot aan De Geer misschien zijn voorbijgegaan’ – een krasse uitspraak.

In zijn goed gedocumenteerde, nuttige biografie heeft Van Osch heel breed en heel systematisch naar het verdrietige einde toe gewerkt, dat hij eigenlijk had willen afschilderen als het laatste bedrijf van een koningsdrama. Dat was het in veel opzichten waarschijnlijk ook. Het enige wat er aan ontbrak was een koning.