Heerlijk vers, die madeleines!

Een nieuwe uitgave moet het werk van Roland Topor na twintig jaar uit de vergetelheid halen. Een verkenning van het werk van een grote ontregelaar?

Roland Topor: Romans, verhalen, tekeningen en foto’s. Gekozen door en met een voorwoord van Arnon Grunberg. Nijgh & Van Ditmar, 389 blz. € 29,90

Om het werk van de Franse illustrator, schilder, schrijver and filmmaker Roland Topor (1938- 1997) aan vergetelheid en veronachtzaming te ontrukken, zorgde Arnon Grunberg voor een heruitgave van een selectie van diens tekeningen en teksten. Aan deze Topor-editie spendeerde hij een deel van het geld dat hij kreeg door in 2004 de AKO-prijs te winnen, met zijn roman De asielzoeker. Een voornaam deel van Topors teksten verscheen weliswaar twintig jaar geleden eerder in het Nederlands, maar die edities waren niet meer verkrijgbaar.

Een mooie gelegenheid om je de vraag te stellen: hoe staat het met de houdbaarheidsdatum van het werk van Topor? Dat Grunberg van mening is dat die nog lang niet is verstreken, moge duidelijk zijn. We hoeven echter niet alles voetstoots van hem aan te nemen en hij weet dat zelf. In zijn omstandige inleiding schrijft hij: ‘Kritiek op mijn selectie zie ik tegemoet.’ Die kritiek heb ik niet. Voor het overgrote deel was de inhoud van Roland Topor. Romans, verhalen, tekeningen en foto’s mijn eerste kennismaking met dit ontregelende cultuurfenomeen uit het laatste kwart van de 20ste eeuw.

In de ontregelende kringen waarin ik graag verkeer, staat Topor nogal op een voetstuk. Tijdens de lezing van de Grunberg-selectie uit Topors literaire werk begon ik me daar steeds meer over te verbazen. Die selectie opent met een heuse roman, Le locataire chimérique uit 1964, verfilmd door Roman Polanski en hier kortweg vertaald als ‘De huurder’. Het is het verhaal van een man die angstvallig probeert zich onzichtbaar en onhoorbaar te maken, om zijn omgeving maar niet tot last te zijn. Hij betrekt het appartement van een vrouw die zich uit het raam heeft geworpen en aan haar verwondingen bezweek.

Kamagurka

De jonge Nederlandse auteur Christiaan Weijts schreef over Topor: ‘Wat krijg je als je het absurdisme van Monty Python en Kamagurka vermengt met de beklemmende werelden van Kafka en Samuel Beckett? Waarschijnlijk iets dat veel lijkt op het werk van Roland Topor.’

Het Kafka-element is op zijn minst zeer prominent in ‘De huurder’. Om hoofdpersoon Trelkovsky zijn krachten werkzaam die hem steeds meer belagen. Hij wordt op precies zijn zwakke punt gegrepen, steeds meer klaagt men over de overlast die hij zou veroorzaken. Hij lijkt vermalen te worden in de maatschappelijke machine. Zoals in veel van de hier opgenomen Topor-teksten is er ook sprake van een fysieke metamorfose: Trelkovsky verandert gaandeweg in de etage-bewoonster vóór hem.

En dan valt het grote verschil met Kafka op: ‘De huurder’ wil maar nergens spannend worden. Halverwege zie je al aankomen dat óók Trelkovsky zich uit het raam zal smijten, je sleept je door de tekst tot het eindelijk gebeurt. Sterker: Topor zegt het halverwege met zoveel woorden: ‘De dag dat hij volkomen, totaal op Simone Choule zou lijken, zou hij hetzelfde moeten doen als zij. Hij zou verplicht zijn zelfmoord te plegen. Zelfs al voelde hij er niets voor, hij zou er niets er in te zeggen hebben.’

Zou Topor dat zeggen omdat hij lak heeft aan de romanconventies? Mogelijk, maar de geschiedenis wordt er niet minder saai door. De Topor-tekeningen die Grunberg erdoorheen heeft gestrooid kunnen daar niets aan verhelpen. Ze doen aan de animaties denken die we in uitzendingen van (inderdaad) Monthy Python langs zagen komen, en waarbij je gapend zat te wachten op een volgende sketch. In die sketches waren Cleese en consorten dan weer wel onweerstaanbaar geestig, onnavolgbaar ook. In ‘De huurder’ geen spoor van zulke wit.

Op één ander, lang stuk na bestaat de rest van het boek uit korte en ultrakorte verhalen. We vinden meer (al dan niet complete) metamorfoses. In ‘De mooiste tieten van de wereld’ bijvoorbeeld loopt een man tegen een vrouw aan, en blijkt hij ineens in het bezit van haar wonderschone borstenpaar. In het verhaal ‘Dierbare vrienden’ komen we andermaal in aanraking met een man die zich perfect wil gedragen en daardoor in grote moeilijkheden raakt – alle vrienden behandelen hem als vreemde en andersom. Er is een twaalfregelig vertellinkje over een meisje dat zich voor het eerst sinds jaren wast – van haar gezicht blijft ‘alleen een ronde bol over, zonder wenkbrauwen, ogen neus of mond’. Dan volgt de slotzin: ‘Ze werd afgemaakt als een beest… dat was ze trouwens ook.’

Je kunt dat ontregelend noemen, bizar (en dat is het ook), gratuit is wat mij betreft een passender kwalificatie voor dit olifantje met de lange snuit. Hetzelfde olifantje zien we opduiken aan het einde van veel kortere stukken in deze bundel. Grappig, zoals je een man met een foute stropdas soms grappig kunt vinden. Het blijft geen gezicht.

Het werk van Topor is wel ‘onvolwassen’ genoemd. Ik denk dat men zijn verbeeldingswereld kinderlijk vond. Kousbroek verzette zich daar in 1986 tegen, en in commissie inleider Grunberg door Kousbroek nu te citeren. Met dat verzet ben ik het eens: je kunt inderdaad nooit te lang kind blijven. Als schrijver kun je Topor niettemin onvolwassen noemen. Je stuit op stijlbloempjes als ‘Misschien komt het door de te heftige emotie van het weer vrij zijn.’ Of als er ergens een storm opsteekt: ‘De gasten in het kleine familiepension dachten dat er een troep uitgehongerde wolven langs de kust trok.’

Bitterder

Dan ben je aangeland op pagina 203 van Roland Topor. Romans, verhalen, tekeningen en denkt: Monty Python is wittier, Kafka beklemmender, Beckett bitterder en alle drie volwassener in het vak dat ze beoefenen. In Topors tekeningen zie je Magritte terug, de Max Ernst-collages, tekeningen van Kubin, de karikaturen van Grandville. En allemaal deden ze het beter dan Topor.

Dan stuit je op ‘Memoires van een oude zak’ uit 1975. Hier is plotseling geest en geestigheid vaardig. Even absurd als de rest, maar zeer goed geschreven. Hilarisch. Aan het woord is een soortement Baron von Münchhausen, die sterke verhalen opdist over alle ontmoetingen die hij met kunstenaars en schrijvers heeft gehad. Het moet wel een heel oude zak zijn: Brecht, Degas, Freud, Gropius, Lévi-Strauss, Toulouse Lautrec, Knut Hamsun, Al Capone, Walt Disney, Charles Lindbergh, John Cage, Picasso, iedereen passeert de revue en allemaal blijken ze hun fraaiste ideeën te danken te hebben aan de briljante verteller. Met George Orwell komt hij in een hotel terecht, voor de deur van kamer 1984 om precies te zijn: ‘„Het lijkt wel een jaartal,” zei ik tegen Orwell. „Dat is waar. Hoe zou de wereld er in 1984 uitzien? Ik durf het me nauwelijks voor te stellen.” ’

Eerder hebben we al gelezen hoe hij ontbijt met Marcel Proust: ‘„Wat heerlijk vers, deze madeleines!” zei ik. „Ze doen me denken aan… Er is op de place de la Madeleine een banketbakker waar je de beste madeleines van Parijs kunt krijgen. Maar deze zijn bijna even lekker.”’

De vele grappen in deze ‘Memoires van een oude zak’, de stijl, het nawoord, tot en met het register van genoemde namen, alles bij elkaar is wat mij betreft onbeperkt houdbaar. Een klein meesterwerkje. Hetzelfde geldt voor een zeer korte tekst (de grafrede?) bij de dood van de schrijver Louis Aragon. Maar het overgrote deel van Roland Topor. Romans, verhalen, tekeningen lijkt toe aan verwijdering uit de schappen. Leuk geweest, voorbij.