Händel schiep sterke vrouwen

Op haar eerste solo-cd laat operazangeres Daniëlle De Niese de noten flink klateren. „Het moet klinken als de de scheuten van een stekende pijn.”

Daniëlle De Niese Foto PR Daniëlle De Niese, operazangeres

Tegenwoordig komt iedereen gewoon in zijn spijkerbroek naar audities, maar in die tijd, eind jaren negentig, was het nog gebruikelijk dat zangeressen hun mooiste galajurk aantrokken. Ik kwam als achttienjarige naar de auditie van The Metropolitan Opera in een lange, nauwsluitende gouden satijnen jurk en ik zong een aria van Cleopatra. Die jurk had mijn moeder voor me gekocht. Mijn moeder kleedt me trouwens nog steeds. Ze kleedt me ook uit, als ze me na een voorstelling halfslapend naar huis heeft gebracht. Ik werd aangenomen bij de Met. En sindsdien is Cleopatra is een rode draad in mijn carrière geworden. Diezelfde auditie heeft ervoor gezorgd dat ik in 2001 met Cleopatra mijn Europese debuut in Amsterdam kon maken.”

De 27-jarige operazangeres Daniëlle De Niese, geboren in Australië, opgegroeid in Los Angeles, vertelt over haar droomstart in 1998, toen ze op haar achttiende als jongste ooit werd toegelaten tot het juniorenklasje van de Met in New York. De sopraan woont momenteel drie maanden in Amsterdam voor haar rol in de opera L’incoronazione di Poppea die ze net heeft afgerond. Onlangs verscheen haar eerste solo-cd, met aria’s van de 18e-eeuwse componist Friedrich Händel.

Op de cd staan twee aria’s uit de opera Giulio Cesare, waarin De Niese de verleidelijke Egyptische koningin Cleopatra speelde. Met die rol maakte ze in 2001 haar Nederlandse debuut in Amsterdam, en in 2005 betekende dezelfde rol,op het operafestival van Glynbourne, haar internationale doorbraak. Die ‘sex pot’ Cleo pakte niet alleen een paar Romeinse wereldheersers in, maar de gehele internationale opera-pers en alle andere gelukkigen die haar in zuid-Engeland zagen dansen in roaring twenties-pakjes, en baden in ezellinnemelk.

De Niese paart een zoete, lichte stem aan een grote technische beheersing. Onlosmakelijk verbonden met haar artistieke kunne is haar exotische schoonheid die zij, gekoppeld aan gratie, gevaar, seks en humor, inzet om de aantrekkingskracht van heldinnen als Poppea en Cleopatra over te brengen. Met haar bruine Bambi-ogen, brede, krullende mond en het moedervlekje op haar neus (helaas weg gefotoshopt op de cd-hoes) doet ze eerder denken aan een arrenbie-ster dan aan de stereotype, volslanke opera-dame.

„Ik wilde mijn cd graag Händel With Care noemen,” zegt De Niese, „maar volgens de platenmaatschappij zou dat vernietigende woordspelingen van recensenten uitlokken, dus heeft de cd niet echt een titel gekregen. Gewoon: Händel arias.”

„Händel heeft zoveel mooie aria’s voor sopranen geschreven, ik had wel een dubbel-cd met mijn favorieten kunnen maken. En, ja, ik ben bekend geworden met Händel, dus hij lag voor de hand. Ik heb gekozen voor de mooiste melodieën, ook al betekende dat in praktijk dat ik voor alle bekende aria’s koos. Die zijn dus niet voor niets bekend. Als ik de waardering van de muziekkenners had willen krijgen, dan had ik allerlei obscure aria’s moeten nemen. Dan kunnen zij schrijven: ‘wat goed dat dit aan de vergetelheid is ontrukt’. Alsof een cd maken een soort artistiek goed doel dient.”

De Niese verwerpt het idee dat Händel vooral aria’s schreef als show cases waarin de zangers hun virtuositeit kunnen etaleren: „Hij schrijft ook prachtige, simpele klinkende melodieën. Hij was in zijn tijd een soort popcomponist. Verder heeft hij heel sterke vrouwenrollen geschapen. Hoe gruwelijk hun daden soms ook zijn, zoals Medea die haar eigen kinderen vermoordt, Händel neemt het altijd op voor zijn heksen en tovenaressen. Hij laat zien waar hun wraak vandaan komt.”

De ornamenten, de trillers, de kwinkelerende notenregens bedoeld om de vertolkers te laten schitteren, mogen de zangeressen van Händel zelf invullen. De Niese schrijft ze grotendeels uit. „Je moet natuurlijk oppassen dat je de cd niet dicht plamuurt met ornamenten, dat is onverdraaglijk voor de luisteraar. Bovendien zou het loze virtuositeit zijn: kijk mij nu weer eens met mijn reeks hoge effen! De eerste aria Da tempeste is een jubel-aria van Cleopatra. Ze is naar de hel en terug geweest en wil nu een feestje vieren. Daarin mag ik dus flink uitpakken. Maar in de tweede aria, Lascia ch’io pianga uit Rinaldo, zing ik: ‘Laat me mijn wrede lot beklagen, en verlangen naar vrijheid. Moge rouw in zijn genade de ketenen van mijn marteling verbreken.’ Dat vraagt om een tragische aanpak, en dat zing ik dus bijna zonder ornamenten.”

Opmerkelijk is het extreem lage tempo van Il mio crudel martoro uit Ariodante, waardoor de tragiek van de prinses die ten onrechte wordt beschuldigd van seks voor het huwelijk, optimaal tot zijn recht komt: „O dood, waar ben je?” De Niese: „Op de cd zing ik het nog vrij snel voor mijn doen, in elf minuten. Op het podium doe ik er zeker dertien minuten over. De begeleiding gaat van dá-dam dá-dam DÁ-dam dá-dam. Als je dat wat sneller doet, wordt het te swingend. Het moet klinken als de scheuten van een stekende pijn.”

Ook bij Vo’ far guerra uit Rinaldo worden oren gespitst. In deze strijdlustige aria, van een moslima die staat te popelen om wraak te nemen op de kruisvaarders, gaat De Niese een battle aan met haar claveciniste, Béatrice Martin. De Niese’s waterval wordt hier steeds afgewisseld met korte soli van Martin die als een soort Rachmaninov van de barok in duizelingwekkende vaart heel veel knopjes achter elkaar indrukt, waardoor de noten bij honderden uit het clavecimbel klateren. De Niese: „Martin is een beroemde claveciniste dus ik wilde haar graag de ruimte geven op de cd. Händel schrijft hier soli voor, die de speler zelf kan invullen. Het zijn dus allemaal stukken die Martin zelf heeft gecomponeerd, uiteraard als een soort staalkaart van haar kunnen.”

Met haar zevenentwintig jaar is De Niese betrekkelijk jong, toch heeft ze al een hele loopbaan achter zich. Op haar achtste begon ze met zangles: Haydn, Gounod. Als kind won ze een Emmy Award voor het presenteren van een kunstprogramma op de lokale televisie van Los Angeles. Op haar vijftiende zong ze haar eerste opera, op haar achttiende zat ze al bij de Met in New York, een jaar later zong ze daar in Mozarts Le nozze di Figaro.

vIn 2001 speelde ze Cleopatra in Giulio Cesare bij De Nederlandse Opera: „Het was heel bijzonder om mijn Europese debuut te maken met zo’n grote rol, op zo’n hoog niveau.” Ze keerde vier keer terug bij De Nederlandse Opera: in Raaff (2004), Così fan tutte en Le nozze di Figaro (2006) en nu in Poppea.

De Nederlandse Opera van Pierre Audi staat bekend in de operawereld om de lange repetitietijden, die de internationale sterren vaak maandenlang aan Amsterdam binden. Andere operahuizen laten de zangers meestal kort tevoren invliegen. Hoe vindt De Niese de Nederlandse aanpak?

„Die aandacht voor het repetitieproces maakt De Nederlandse Opera tot een van de belangrijkste gezelschappen van Europa. Ik ben nog in het stadium dat vrijwel iedere rol voor mij een debuut is. Het is heerlijk dat ik hier in Amsterdam de kans krijg om mij langdurig in zo’n rol te verdiepen. Daar kan ik dan later, elders, makkelijk op terug kan vallen. Hier leg ik de basis voor mijn carrière. En het is helemaal geweldig als je een rol kunt doorgronden aan de hand van de Pierre Audi. I‘m like totally on the Pierre Audi bandwagon.. Pierre denkt op een heel ander niveau dan wij stervelingen.”

Audi is berucht bij zangers omdat hij afdwingt dat zijn regie-concept tot in de kleinste beweginkjes wordt nagevolgd. De Niese: „Wat mensen vergeten is dat hij in het eerste stadium de zangers juist enorm veel vrijheid geeft. Je zoekt zo’n rol en die bewegingen samen uit. Vervolgens zet hij het vast, dat klopt, maar dan zijn het wel jóuw bewegingen. Anders is het als je een rol moet hernemen die aanvankelijk door iemand anders werd gespeeld. Dan moet je precies de bewegingen nadoen die je voorganger heeft bedacht. Dat is lastig.”

Poppea is zo‘n herneming. Audi maakte de regie in 2001. Nu wordt de voorstelling voornamelijk door zijn assistenten ingestudeerd. De Niese: „Ik moest dan bijvoorbeeld een duet zingen terwijl ik met mijn hand tegen een zuil geleund stond. Toen Pierre Audi langskwam, vroeg ik waarom dat precies zo moest. Pierre is heel goed in het geven van de waaroms. Hij zei: ‘Die zuil is een energiebron, die voed je met nieuwe energie, en je kunt er ook energie mee doorgeven. Via de pilaar kun je je minnaar nieuwe kracht geven.’ Dan weet ik waarom ik het doe, en gaat het verder vanzelf.”

De Niese’s ouders komen uit Sri Lanka, maar zij zegt Nederlandse wortels te hebben. Hoe zit dat? „Mijn ouders behoren tot de etnische minderheid der Burghers: verwesterde afstammelingen van Nederlands-Sri Lankese halfbloeden uit de 17e eeuw, toen Sri Lanka een Nederlandse kolonie was. De Burghers vormden van oudsher een middenklasse, vergelijkbaar met de Indo’s in Indonesië. In onze cultuur zijn nog sporen Nederland te vinden, bijvoorbeeld in onze keuken. We hebben van die lange broden met krenten erin. Oliebollen? Krentenmik? En van die gefrituurde staven met een krokant laagje van paneermeel, en binnenin kalfsvlees.”

Kroketten?

„Ja. precies: kroketten.”

De cd ‘Händel arias’ is uitgebracht door Decca. Inl. www.danielledeniese.com.