Dominante leider die musea op de schop nam

Ronald de Leeuw vertrekt als directeur van het Rijksmuseum. De verbouwing van het museum is een nagel aan zijn doodskist gebleken.

Ronald de Leeuw was krap vier jaar directeur van het Rijksmuseum in Amsterdam, toen hij in 2000 fier zei: „Als ik hier klaar ben, wil ik nog wel een paar jaar met mijn nieuwe speeltje spelen.” Bij het Van Gogh Museum had hij de oplevering van de nieuwbouw niet meer meegemaakt. Bij het Rijksmuseum, dat ook een fikse verbouwing voor de boeg had, moest dit anders.

Het mocht niet zo zijn. Ronald de Leeuw, die vandaag zijn 59ste verjaardag viert, kondigde gisteren tot ieders verbazing zijn vertrek als hoofddirecteur van het Rijksmuseum aan. De Leeuw is niet ziek of teleurgesteld in zijn werk. De oude afspraak, dat hij net als zijn man Gerlof Janzen op zijn zestigste met pensioen zou gaan, heeft hij volgens het museum ‘heroverwogen’, nu de verbouwing van het museum zoveel vertraging heeft opgelopen. In de zomer van 2008 gaat De Leeuw daarom met pensioen en beëindigt zijn museumloopbaan.

De verbouwing van het Rijksmuseum, in 2003 officieel begonnen en eindeloos lang vertraagd vanwege een honderdtal aan te vragen vergunningen, is een nagel aan De Leeuws doodskist. Maria van der Hoeven, de vorige minister van OCW, beloofde het de Tweede Kamer in januari van dit jaar. De verbouwing van het ‘Nieuwe Rijksmuseum’ zou binnen het vastgestelde budget van 272 miljoen euro blijven en de al verschillende malen opgeschoven openingsdatum zou in 2010 zijn. Maar zelfs Ronald de Leeuw leek dat niet te geloven, toen hij recent in Vrij Nederland antwoordde op de vraag wanneer hij dacht dat het museum open ging: „Ooit.” Medio 2008 gaat de eerste schop pas de grond in. Experts schatten de openingsdatum op 2012, 2013.

De Leeuw zal bij zijn vertrek bijna twaalf directeur zijn geweest van het Rijksmuseum. Daarvoor voerde hij tien jaar de scepter over het nabijgelegen Van Gogh Museum. Onder zijn dominante leiding veranderde het wat suffe, aan één kunstenaar gewijde mausoleum in een goedlopende tentoonstellingsmachine, waar naast Van Gogh de hele negentiende en vroege twintigste eeuw aan bod kwam. De Leeuw toonde er een eclectisch geheel, vol debatten, tegenstrijdigheden, onnoemelijke kitsch en grootse kunst.

Ook het Rijksmuseum was volgens het ministerie in 1996 dringend aan zo’n transformatie toe. De Leeuw moest het gebouw openbreken en renoveren, de gescheiden collecties tot een eenheid smeden en de organisatie moderniseren. Eigenlijk is alleen die laatste opdracht gelukt. De organisatie was een negentiende-eeuws bolwerk, met afdelingen die als koninkrijkjes functioneerden. Onder De Leeuw is een uittocht van oude medewerkers begonnen en is een nieuwe, jonge ploeg aangetreden die synthetiserende tentoonstellingen maakt, zoals over Rembrandt en Caravaggio in 2004. Het museum oogt – ook al is het gesloten – dynamisch en open.

Onlangs nog zei De Leeuw: „Als het museum niet zonder jou kan, dan heb je het als directeur niet goed geregeld.” Dát hij met pensioen zou gaan – daarover liet hij geen misverstand bestaan. Hij verheugde zich er zelfs op. „Ik ga in mijn tuin werken en schrijven. Ik ga genieten van mijn huis in Italië. En dan zakt het museum heel ver weg.”