De zegetocht van het surrealisme

Op de expositie ‘Vreemde dingen’ blijkt niet het modernisme, maar het surrealisme de meest invloedrijke kunststroming van de vorige eeuw te zijn geweest. Max Ernst ligt nu op de meubelboulevard.

In december 1921 wandelde de surrealistische kunstenaar Man Ray met componist Erik Satie in Parijs langs een winkel in huishoudelijke artikelen. Ze hadden elkaar ontmoet op de opening van een groepstentoonstelling in Librairie Six waar Man Ray aan mee deed. In de winkel kochten ze een strijkijzer, een doosje tapijtnagels en een tube lijm. Man Ray plakte veertien spijkertjes op het vlak van het strijkijzer en voegde het Cadeau-Audace (lef-cadeau) toe aan de tentoonstelling.

Nog diezelfde dag werd het object gestolen. Veertig jaar later vervaardigde de kunstenaar er enkele replica’s van, en daarna in 1963 en 1974 nog twee series. De eerste serie bestond uit elf exemplaren, de tweede uit vijfduizend, met als verschil dat de strijkijzers uit de hoge oplage dertien in plaats van veertien spijkers hadden. Het werk van Man Ray was uitgegroeid tot een rage.

„Het surrealisme is aantoonbaar de meest invloedrijke avant-gardistische kunstbeweging van de 20ste eeuw”, schrijft Ghislaine Wood in haar inleiding tot de catalogus Vreemde dingen: Surrealisme en design. Hoe populair het werk van Man Ray ook moge zijn, toch verbaast deze constatering. Is niet het strenge Modernisme van Bauhaus, De Stijl en Le Corbusier het meest invloedrijk geweest? Kijk naar onze flats en kantoorgebouwen, onze museumcollecties. Maar gaandeweg het bezoek aan de spectaculaire tentoonstelling Vreemde dingen in Museum Boijmans begint de twijfel te knagen: misschien heeft Wood gelijk.

De opzet van de tentoonstelling, een initiatief van het Victoria & Albert Museum in Londen, is zichtbaar te maken hoe het surrealisme binnen tien jaar veranderde van een politiek-geïnspireerde beweging in een commerciële stijl.

Het is een rijk, zinnestrelend geheel, van de schilderkunst van Dalí, Juan Miró, Giorgio de Chirico, René Magritte en Max Ernst tot de biomorfe Freeform Sofa van Isamu Noguchi, en van beroemde kunstvoorwerpen als Man Ray’s Raadsel van Isidore Ducasse en een met rood satijn gestoffeerde kruiwagen van Oscar Dominguez, tot sieraden en parfumflesjes van Dalí en Alberto Giacometti en met zwart apenbont gevoerde tasjes en handschoenen van Elsa Schiaparelli.

Vreemde dingen laat zien hoezeer het surrealisme deel is gaan uitmaken van onze leefomgeving en cultuur. Veel hedendaags, postmodern design bijvoorbeeld, met zijn irrationele, eclectische vormtaal, gaat direct terug op het surrealisme. En modeontwerpers als Viktor & Rolf, Martin Margiela en het Antwerpse duo Walter van Beirendonck en Dirk van Saene, laten zich inspireren door surrealisten als Meret Oppenheim en Elsa Schiaparelli.

De expositie is vormgegeven door Van Beirendonck en Van Saene. Zij namen de surrealistische, fetisjistische verafgoding van het lichaam tot leidraad en ontwierpen reusachtige lichaamsdelen die in de museumzalen liggen uitgestrekt. Daarin worden de objecten tentoongesteld.

Er zijn verschillende reconstructies gemaakt van surrealistische projecten. Zoals de decors en kostuums die Giorgio de Chirico ontwierp voor het ballet Le Bal van Serge Diaghilev (1929), geïnspireerd op de klassieke oudheid en ruïneuze klassieke tempels; een levensgrote zwarte vogelkooi van hout met verguld bamboe, door Jean-Michel Frank, ooit gemaakt als ‘parfum-boetiek’ in de modewinkel van Elsa Schiaparelli aan de Place Vendôme (1933); en een reconstructie van de Exposition surréaliste des objets in de galerie Charles Ratton (Parijs 1936) naar een foto van Man Ray, een uitstalling van voorwerpen in een metalen wandkast, waaronder het strijkijzer en vele andere twintigste-eeuwse cultusobjecten, zoals het flessenrek van Marcel Duchamp.

André Breton, ideoloog van de beweging, schreef in 1924 in zijn Surrealistisch Manifest dat het surrealisme gebaseerd is op het geloof in tot dusverre veronachtzaamde associaties, in de almacht van de droom en in een doelloos gedachtenspel. Breton stelde de verkenning van het onbewuste centraal. ‘Automatische’ technieken, zoals frottage, het afdrukken van een structuur door middel van wrijven met bijvoorbeeld potlood, en de écriture automatique, het tekenen of schilderen met uitschakeling van bewuste gedachten, moesten onderbewuste driften aan de oppervlakte brengen. In de collectie van Boijmans bevindt zich een schitterende reeks van frottages van bladeren en hout van Max Ernst.

In de jaren dertig verschoof

de aandacht van literatuur en schilderkunst naar het object, als een belichaming van verlangens en fantasieën. In het surrealistische object komen tegengestelde stijlen of ontwerpmethoden samen. De Venus van Milo met opengeschoven laden van Dalí is er een voorbeeld van, of een pastiche op abstracte sculptuur getiteld Onaangenaam object om mee te gooien van Alberto Giacometti.

Veel van de objecten werden in oplage vervaardigd. Dalí liet van zijn beroemde Mae West Lippenbank bijvoorbeeld in een eerste oplage in ieder geval drie exemplaren maken, het precieze aantal is niet bekend. In 1926 bestelde de Maharadja van Indore een zilveren versie van het schaakspel dat Man Ray tien jaar eerder ontworpen had. Man Ray produceerde het zilveren schaakspel in een oplage van drie. En Giacometti maakte in samenwerking met binnenhuisarchitect Jean-Michel Frank decoratieve, pastelkleurige gipsen interieurobjecten.

Breton verzette zich hevig tegen wat hij zag als de commercialisering van het kunstwerk. In de lezing De surrealistische situatie van het object ontvouwde hij een strategie om het ‘misbruik’ van de surrealistische kunst tegen te gaan. Hij noemde in dit verband het plan van Man Ray om een stempel of zegel, een soort keurmerk, te ontwerpen om ‘goedgekeurde objecten’ te onderscheiden van nep-surrealisme, dat wil zeggen werk van kunstenaars die niet bij de surrealistische beweging waren aangesloten. Tot een uitvoering van dit plan is het nooit gekomen.

Furieus was Breton over De Chirico’s decorontwerpen voor Diaghilev, die hij omschreef als een ‘pijnlijk schouwspel’ en ‘zwendel’. Voor De Chirico lag dit anders: de opdracht wees hem de weg uit de artistieke impasse. In 1926 organiseerde Breton samen met de dichter Louis Aragon ook een ‘Protestation’ tegen de decorontwerpen die Max Ernst en Joan Miró hadden gemaakt voor een productie van Romeo en Julia door Diaghilev. „Het is ontoelaatbaar dat ideeën worden gestuurd door geld”, schreef hij.

Breton nam het zelf niet zo nauw met zijn strenge principes. Hij trad op als kunstadviseur van de vooraanstaande verzamelaar Jacques Doucet en plande een expositie van door kunstenaars ontworpen wandkleden in de commerciële galerie Myrbor. En de uiteenlopende activiteiten van Man Ray, waaronder ook modefotografie voor Vogue en Harper’s Bazaar, werden wél gedoogd door Breton.

Veel van de voorwerpen op de tentoonstelling zijn ontstaan in samenwerking tussen kunstenaars en anderen. De Britse miljonair en mecenas Edward James verbouwde in de jaren dertig het buiten Monkton House, dat hij geërfd had van zijn vader, tot tot een surrealistisch Walhalla. Het was vol schilderijen van Ernst en Magritte, vazen van Giacometti en Hans Arp. Dalí’s Lippenbank, zijn telefoon inn de vorm van een kreeft, een porseleinen theeservies met roze handschoenen, het kwam allemaal tot stand in opdracht van James.

Elsa Schiaperelli maakte

kleding naar ideeën van kunstenaars, en in opdracht van James. Zijn vriendin droeg Schiaparelli’s jurken, die tot de meest sensationele voorwerpen op de tentoonstelling behoren. De Skeletjurk, naar een ontwerp voor Dalí, is gemaakt van zwarte crêpe zijde die schuin van draad is verwerkt om soepel te vallen, met zachte vullingen in de vorm van botten erop. Er hoorde een hoedje bij in de vorm van een slakkenhuis. James’ vriendin moet heel klein en frêle zijn geweest, te oordelen naar de maten van de jurk. Met Meret Oppenheim vervaardigde Schiaparelli een fallisch hoedje met een hooggehakte pump er bovenop, en met Jean Cocteau een zwarte avondmantel met dikke roze rozen en een borduursel van twee elkaar spiegelende gezichten.

Dat de Surrealisten het vrouwenlichaam ontleedden, ontheiligden, verafgoodden, erotiseerden, kortom tot object maakten, weerhield vrouwelijke kunstenaars er niet van een actief aandeel aan de beweging te leveren. Integendeel, de meest humoristische bijdragen zijn vaak van vrouwen. Schiaparelli maakte in haar winkel tableaus met de paspoppen Pascal en Pascaline, Leonor Fini ontwierp een Armoir Anthropomorphe in de vorm van vrouwenlichamen, Eileen Agar vervaardigde uitzinnige voorwerpen van schelpen, kurk en palmbladeren.

Achteraf bezien is het grote succes van het surrealisme niet moeilijk te begrijpen. De thema’s van vrouwenlichaam, erotiek en fantasie leenden zich bij uitstek voor commerciële toepassingen. Bovendien waren de surrealisten meesters in het etaleren. De etalages die Dalí inrichtte voor het warenhuis Bonwit-Teller aan Fifth Avenue werden legendarisch. Het surrealisme van de jaren dertig was decadent, vrolijk, lichtzinnig, en de bals en society-feesten waren even zoveel aanleidingen om kleding, accessoires en interieurs te ontwerpen.

Uiteindelijk is de surrealistische beeldcultuur volledig in de massacultuur opgegaan. Het strak vormgegeven bed dat Max Ernst in 1974 ontwierp, met koperen spijlen, spiegel en decoratieve bladranken, is een voorbeeld van postmodern design zoals je het nu op iedere meubelboulevard tegen kan komen. Het surrealisme, met zijn nadruk op vervreemding en fantasie, is tot een cliché geworden. De angel is er al lang uit.

Misschien voorzag Breton dit, en had hij in deze zin gelijk. Aan de andere kant, had hij zich meer kunnen wensen dan dat het surrealisme zo door zou dringen tot in alle lagen van onze cultuur?

Vreemde dingen: Surrealisme en design. Museum Boijmans, Rotterdam. T/m 13 jan. 2008. Di t/m zo 11-17u. Inl. www.boijmans.nl