De onnavolgbare plant die ons moet binden

Dirk van Weelden: Het middel. Augustus, 256 blz. € 18,90 **

Helemaal zeker weet je het nooit bij Dirk van Weelden, maar Het middel begint als een echte roman. Sterker, eentje waarin de hoofdpersoon Victor Tamboeli al op de tweede pagina het gevang in draait op verdenking van moord. Het is niet het enige dat deze Tamboeli moet doorstaan: hij wordt lichamelijk verteerd, vertrekt naar woeste gronden om de plant te zoeken die hem kan genezen, valt voor een biologe, wordt gegijzeld door een sekte die prompt door special forces wordt aangevallen. Hij komt levend uit de puinhopen, keert terug naar de stad om daar te worden ingerekend.

Er zijn er die minder uit de kast halen om een Gouden Strop te winnen, maar die onderscheiding is Van Weeldens doel niet. Want zoals te verwachten is van een schrijver die altijd het schemergebied tussen roman en essay opzoekt, is het hem ook in Het middel niet om de plot te doen. Het gaat hem om vragen over integratie en desintegratie, verbinding en verwijdering, religie en atheïsme, idealisme en realisme. Het zijn belangrijke en samenhangende vragen, die een ideeënroman waard zijn. En Van Weelden weet het een en ander over die vragen te berde te brengen. Alles draait in deze roman om de vraag welke verbindingen mensen aangaan. De fysieke kwaal van Tamboeli is dat hij uiteenvalt. Hij moet zogezegd weer bijeengebonden worden, iets waar de ‘mutó’, een plant met onnavolgbaar gecompliceerde en sterke wortels, hem bij kan helpen. Maar gaandeweg blijkt hij ook in geestelijk opzicht aan stukken te liggen. Tamboeli slaagt er slecht in om zich met zijn omgeving te verbinden – een aandoening die ons volgens Van Weelden allemaal aangaat.

Degenen die zich het best gewapend hebben tegen die frustrerende onthechting zijn de bewoners van de vlakten in de roman. In dit amper ontgonnen terrein woont een groep mensen die goddeloos en zonder illusies over vooruitgang door het leven gaat. Ook zonder grote gemeenschapszin, maar met gevoel voor de noodzaak van gezelschap. Het lijkt een aardige uitweg uit de dilemma’s van verbinding en (on)vrijheid die Van Weelden schetst, maar als je wat langer over het volk op de vlakten nadenkt, gaat het toch wel erg veel lijken op een gemoderniseerde versie van Rousseau’s edele wilde.

Van Weelden doet bovendien te weinig met de plotlijnen die hij in het begin uitzet: binnen de kortste keren staat Tamboeli weer op straat, waarna zijn schepper hem terug de vlakten opjaagt, alwaar hij in verwikkelingen met wapens en vrouwen belandt. Aan het slot lijkt Van Weelden zich te herinneren dat hij nog een moordzaak op te lossen heeft. Waarna hij de oplossingen volkomen achteloos weggeeft. Misschien moet er voor de lezer een takje van de allesverbindende mutó-plant in de kaft verstopt worden. Want zonder hulpmiddelen is het moeilijk om een band te krijgen met dit ambitieuze, merkwaardige, maar ook onbevredigende boek.

Arjen Fortuin