De ene oorlog is de andere niet

Beelden van burgerslachtoffers brengen ons te gemakkelijk tot veroordeling van een oorlog, ook als deze rechtvaardig is, meent Michael Walzer.

In een oorlog komen mensen om. Soldaten sneuvelen, maar ook burgers Wij betreuren de soldaten die sneuvelen, maar de burgerdoden vervullen ons met afgrijzen.

Tegenwoordig noemen we burgers ‘onschuldig’. Misschien zijn ze wel fervente voorstanders van de oorlog, maar als we aan onschuld denken, tellen hun daden.

Het woord onschuld is vooral van toepassing op de kinderen uit de burgerbevolking, die helemaal niets gedaan hebben. De eenvoudigste manier om ons de verschrikking van de oorlog in te prenten is door ons beelden te tonen van kinderen die hem met de dood hebben moeten bekopen. Soms worden die gebruikt om ons te bewegen een oorlog te veroordelen. We hebben allemaal wel zulke beelden gezien tijdens de oorlog in Libanon van 2006, en we hebben ze recenter weer gezien afkomstig uit Afghanistan. Ze vormen het best denkbare argument.

Het probleem is dat dit argument voor elke oorlog geldt, of het nu een aanvalsoorlog of een oorlog uit zelfverdediging is, of hij nu gevoerd wordt om een ander volk te onderwerpen of dit van de onderwerping te redden, of het doel nu is een wereldrijk te verdedigen of een eind aan bloedvergieten te maken.

Sommige oorlogen zijn rechtvaardige oorlogen, waarin één partij terecht ten strijde trekt. Uit moreel oogpunt zijn dit misschien oorlogen die gevoerd behóren te worden. Moeten we ons dan ook door die beelden laten overtuigen?

Eerder schreef ik over de ‘triomf’ van de theorie van de rechtvaardige oorlog. Critici beklemtoonden dat die triomf alleen maar nieuwe manieren heeft opgeleverd om de oorlog te rechtvaardigen, en in overheidskringen was dit inderdaad vaak aan de orde. Maar buiten deze kringen wordt de theorie soms wél gebruikt zoals het hoort, namelijk om in het ene geval tot militair ingrijpen op te roepen en het in andere gevallen juist af te wijzen.

Veel geestelijken, journalisten, professoren en politici hebben echter een heel ander gebruik bedacht. Daardoor is de theorie vooral aangaande burgerdoden steeds strikter geworden, zodat het nagenoeg onmogelijk is nog een oorlog of een strijd te vinden die te rechtvaardigen is.

Tijdens de oorlog in Libanon berustten de kritische argumenten over het doden meestal op de ‘proportionaliteitsgedachte’. Dit is geen eenvoudige doctrine om in de feitelijke omstandigheden van een vijandige confrontatie toe te passen.

Aan het einde van de eerste week van de oorlog in Libanon legde VN-secretaris-generaal, Kofi Annan, in de Veiligheidsraad een merkwaardige en veelzeggende verklaring af: eerst zei hij zorgvuldig dat Israël recht had om zich te verdedigen en dat het dus een rechtvaardige oorlog voerde. Hij beklemtoonde wel dat de Israëlische reactie „buitenproportioneel” en „buitensporig” was geweest en dat Israëls strijd dus niet rechtvaardig was. Pas na tien dagen erkende hij dat Hezbollah raketten op Israël afvuurde, „vanaf plaatsen die te midden van de burgerbevolking leken te liggen” (na weer enkele dagen liet hij ook dat ‘leken’ weg), en zélf dus grote aantallen burgers in gevaar bracht.

Welk aantal burgerdoden is ‘niet onevenredig’ aan de waarde van bijvoorbeeld de verwoesting van een Hezbollah-basis in Libanon of een Talibaan-basis in Afghanistan? Dit zijn griezelige vragen, en de mensen die over evenredigheid praten (en die het meestal over ónevenredigheid hebben), doen maar zelden een serieuze poging om deze te beantwoorden.

Mijn stelling is dat bij ons oordeel over rechtvaardigheid inzake oorlogvoering verantwoordelijkheid vóór proportionaliteit gaat. Als we weten wie de verantwoordelijke partijen zijn en wat hun verantwoordelijkheden zijn, zouden de vragen over proportionaliteit weleens minder moeilijk te beantwoorden kunnen blijken – en zullen ze soms misschien wel helemaal niet beantwoord hóéven te worden.

Neem het gedocumenteerde geval van raketwerpers van Hezbollah in een straat van een Libanese stad. De plaats werd bewust gekozen om elke reactie op de raketaanvallen moreel te bemoeilijken, of beter nog, om te zorgen dat die reactie overal ter wereld zou worden veroordeeld: burgers liepen gevaar; een aantal zou bij die tegenaanval zeker omkomen. Deze burgers vormden niet letterlijk een menselijk schild, maar ze werden wel op eenzelfde manier gebruikt. De verantwoordelijkheid voor hun dood ligt in de eerste plaats bij de Hezbollah-strijders.

En neem de officiële Israëlische verdediging van het bombardement op een flatgebouw in de Libanese stad Qana, waarbij 29 burgers – onder wie veel kinderen – om het leven kwamen: „De aanval op het gebouw werd uitgevoerd conform het beleid van de generale staf. Dit beleid bepaalt dat de Israëlische troepen het vuur mogen openen op verdachte bouwwerken in dorpen waarvan de bewoners zijn gewaarschuwd, en eveneens op bouwwerken in de nabijheid van plaatsen vanwaar raketten op de staat Israël zijn afgevuurd.”

Dit is slecht beleid en niet alleen omdat „nabijheid” een te vage en rekbare term is. Een waarschuwing aan de inwoners van een dorp dat ze mogelijk worden aangevallen en daarom uit hun huis weg moeten, ontslaat de aanvalstroepen niet van de verplichting in redelijkheid hun best te doen om te zien of ze ook echt weg zijn.

Hoe komt het dat in discussies over burgerdoden, in oorlogen als in Libanon of Kosovo of Afghanistan, het proportionaliteitsargument meestal voorrang krijgt boven het verantwoordelijkheidsargument?

Ten eerste verschaft dit, gelet op onze (natuurlijke) afkeer van burgerdoden, een gelegenheid tot gemakkelijke kritiek. Van elk aantal doden is aannemelijk te maken dat het ‘onevenredig is aan …’ – deze aanduiding doet een soort militair/politieke maatstaf vermoeden, maar de feitelijke maatstaf is onze afkeer, die disproportionaliteit omzet in een eenvoudig en dwingend anti-oorlogsargument.

Proportionaliteit zonder verantwoordelijkheid stelt critici in staat zich af te zetten tegen het militair geweld dat doden tot gevolg heeft, of het daarvoor nu verantwoordelijk is of niet. Als niet-staatsorganisaties tegen staatslegers vechten, kan de verantwoordelijkheid aan een van beide kanten liggen, en misschien (waarschijnlijk) wel aan beide kanten, maar vrijwel altijd veroorzaakt het léger het grootste aantal doden dat ‘onevenredig’ wordt genoemd. Daarmee zijn proportionaliteitsargumenten in het voordeel van de niet-statelijke partij, terwijl verantwoordelijkheidsargumenten onvermijdelijk selectief zijn.

In Vietnam vochten de guerrillastrijders van de Vietcong vanuit boerendorpen en stelden de bewoners bloot aan Amerikaanse beschietingen, en ik betoogde destijds dat de Vietcong verantwoordelijk was voor de burgerdoden als de Amerikanen terugschoten, mits zij naar beste vermogen op de guerrillastrijders mikten. In het geval van de ‘free-fire zones’ waren de Amerikanen wel verantwoordelijk, net als voor de willekeurige bombardementen op dorpen en voor de gevolgen van het ontbladeringsmiddel Agent Orange. Bovenal waren de VS verantwoordelijk voor de oorlog zelf, waarin Amerikaanse soldaten niet hun vaderland verdedigden; ze verdedigden een regering die bevriend was met de VS, maar die ongeliefd was bij haar eigen volk.

In de Kosovo-oorlog stelden de Serviërs dat bij het bombardement van Belgrado door de NAVO een onevenredig aantal burgerdoden viel, maar gelet op de voorafgaande gebeurtenissen in Bosnië, en op wat er in Kosovo op het spel stond, leek die stelling niet houdbaar. Wat Kosovo zelf betreft ging de discussie eigenlijk uitsluitend over verantwoordelijkheid: de NAVO hield vol dat alleen de Servische troepen verantwoordelijk waren voor de verdrijving van en de moord op burgers, maar een aantal NAVO-critici (onder wie ikzelf) betoogde dat de weigering om vroegtijdig grondtroepen te sturen impliceerde dat ook de NAVO een bepaalde (geringere) verantwoordelijkheid voor het bloedvergieten had. Als de NAVO zich in de strijd zou hebben gemengd, zou haar hightech-leger veel mensen hebben gedood maar er nog veel meer hebben gered.

In de Libanese oorlog maakte het Israëlische leger de meeste burgerdoden, maar sommige (of veel) van de aangevallen dorpen werden door Hezbollah gebruikt als basis voor raketaanvallen op Israëlische steden, zodat de verantwoordelijkheid voor de burgerdoden in die dorpen grotendeels bij Hezbollah lag – evenals het grootste deel van de verantwoordelijkheid voor de oorlog zelf, die begon met een raketbeschieting en een aanval van Hezbollah. Israël is verantwoordelijk voor de doden door niet te rechtvaardigen bombardementen, zoals de aanval op Qana, of door de gebruikte fragmentatiebommen.

Als we duidelijk de verantwoordelijkheid voor de gedode soldaten en burgers leggen waar ze thuishoort, dan zullen we er alles aan hebben gedaan om het aantal burgerdoden te beperken. En dan zullen we ook de pijnlijke waarheid erkend hebben dat sommige van deze doden gemaakt zijn door soldaten die een rechtvaardige strijd voerden.

Michael Walzer is Amerikaans filosoof en auteur van ‘Rechtvaardige en onrechtvaardige oorlogen’. Dit is de verkorte tekst van de lezing die hij vandaag in Amsterdam hield.

De volledige tekst is te lezen via ru.nl/soeterbeeckprogramma